|
![]() De landloper als ronddolende mens op zijn levenstocht, die het kwaad van het lijf houdt met zijn reisstaf. Hieronymus Bosch, Hooiwagen-triptiek, 2 buitenluiken, 1580. (Madrid, Prado) In het middeleeuws geloofsleven was de gedachte héél sterk aanwezig dat het menselijk bestaan op aarde slechts een korte, in wezen onbelangrijke, tussenfase is. Het verblijf in dit aardse tranendal moest in dienst staan van de uiteindelijke bestemming: de hereniging met God in de hemel. In wezen was het aardse leven één lange pelgrimstocht, een voortdurend onderweg zijn, een grote dwaaltocht naar het Hemels Jeruzalem, waar God een plaats heeft voorbereid. In dat opzicht bezat de bedevaart voor de Middeleeuwer een diepe symbolische betekenis: met al zijn beproevingen, bekoringen, gedwongen omwegen, haltes in heiligdommen en gasthuizen, verrassende ontmoetingen, enz. was het een metafoor, een weerspiegeling van het wel en wee van het menselijk bestaan in zijn geheel. De mens is in deze wereld levenslang en noodzakelijk een pelgrim op weg naar Jezus' Koninkrijk. Hij is op reis, een "Homo Viator" (zoals de titel luidt van een boek uit 1945 van de Franse filosoof Gabriel Marcel), nog niet op zijn bestemming, nog niet écht thuis gekomen.
"Een bedevaart was het "opgaan naar", het uitzien naar wat nog niet is. Het stappen van de pelgrim liep ongemerkt parallel met het geestelijk vorderen op de levensweg." (kardinaal Godfried Danneels, paasbrochure 2008). Om te begrijpen wat talloze middeleeuwse mannen en vrouwen ertoe dreef om hun thuis te verlaten en om een gevaarlijke en verre reis te ondernemen naar Compostela, Rome, Jeruzalem en elders moet men deze woorden van de Franse kunsthistoricus Emile Mâle (1862-1954) steeds voor ogen houden : "Les hommes du Moyen Âge ont aimé passionnément ces grands voyages. Il leur semblait que la vie du pèlerin était la vie même du chrétien. Car qu'est-ce le chrétien sinon un éternel voyageur, un passant sur terre en marche vers une Jérusalem éternelle?". ![]() De eeuwige pelgrim op het raakpunt van aarde en hemel. C. Flammarion, 1888. De bedevaarten vormden in de Middeleeuwen een wezenlijk bestanddeel van het christelijk geloof. De middeleeuwse gelovigen beschouwden hun hele leven als één lange pelgrimstocht naar het echte vaderland. Ze lieten zich daarbij inspireren door toepasselijke passages in de Bijbel. In het Johannes-evangelie lazen ze dat christenen, uit God geboren door het doopsel, niet van deze wereld zijn. In zijn 2de Brief aan de Korinthiërs schreef Paulus dat we, zolang we leven, ons bewust moeten zijn van het feit dat we (nog) niet bij God zijn. In zijn Brief aan de Hebreeën omschreef hij de christenen als "vreemdelingen", "bannelingen" en "pelgrims", die op aarde op doortocht zijn naar het Rijk Gods, aangekondigd door Jezus. De idee dat de mens hier op aarde geen "blijvende woonstee" heeft vormde een constante in de christelijke literatuur van de Middeleeuwen, bijv. in dit pelgrimslied van Adriaen Poirters s.j. (1605-1674):
![]() de "Hemelse Stad", het "Beloofde Land", het ultieme doel van elke pelgrim onderweg op aarde. (Santiago de Compostela, kathedraal, tympaan van het romaanse Gloria-portaal)
In het hoofdstuk over het volk Gods herneemt het concilie dit thema vanuit de bijbelse bronnen: "Zoals nu Israël naar het vlees, bij zijn tocht door de woestijn, reeds de kerk van God genoemd wordt, zo wordt het nieuwe Israël dat in de tijd optrekt op zoek naar de toekomstige en blijvende stede, ook de kerk van Christus genoemd' (Lumen Gentium).
De bedevaart als reis in het onbekende en het ongewisse geeft gestalte aan het verlangen van de mens naar eindeloze verten en oneindige ruimtes. Als zodanig is zij eveneens symbool van de christelijke existentie, die open staat voor een mysterie dat haar overstijgt. De aantrekkingskracht van het 'elders', die mensen steeds heeft bewogen om zich op weg te begeven, is het symbool van de overtuiging dat God de gans Andere is, die steeds opnieuw voor verrassingen zorgt.
In zoverre de bedevaart, zoals elke reis, ook gepaard gaat met de noodzaak om zich los te rukken, met risico's en ongemakken, is zij eveneens een verwijzing naar een wezenlijke dimensie van het christelijk leven. Zij is vaak het zichtbare teken van de wil om zich te bevrijden uit de zonde, uit het vastgelopen zijn in verkeerde gewoonten. De mens verlaat zijn huis, zijn comfort, zijn routine-matig handelen. Hij verlaat in zekere zin zichzelf en gaat in tegen de zuigkracht van zijn egoïsme. Deze stap heet bekering en wordt in het Nieuwe Testament aangeduid met het woord 'metanoia', omkeer."
(E. Henau. Zaaien op asfalt? Over de pastorale inzet. Baarn, Gooi en Sticht, 1991, pp. 144-149)
|