De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Kritiek op bedevaarten, aflaten en relieken

Brief van paus Alexander III voor een volle aflaat t.g.v. het H. Jaar 1666 in Santiago
Brief van paus Alexander III voor een volle aflaat t.g.v. het H. Jaar 1666 in Compostela

Naarmate de late Middeleeuwen vorderden, vooral vanaf het midden van de 15de eeuw, vonden er in de Europese samenleving ingrijpende veranderingen plaats, die onvermijdelijk hun weerslag hadden op het dagelijks leven en op de kijk van de mensen op godsdienst, kerk en religieuze praktijken, o.m. het pelgrimeren.

  • De meest dramatische aankondiger van die veranderingen was wellicht de pest, die tussen 1347 en 1351 alléén al in Europa het leven kostte aan zowat 20 miljoen mensen (= één derde van de totale bevolking). Deze zogeheten "Zwarte Dood" had een domino-effect en veroorzaakte spanningen in het sociaal weefsel van de samenleving.
  • In de loop van de 14de eeuw nam het aanzien van de Kerk geleidelijk af. Het Westers Schisma (1378-1417) met 2 rivaliserende pausen, één in Rome en één in Avignon, was daar natuurlijk niet vreemd aan. Behalve deze langdurige strijd aan de top van de Kerk liet ook de corruptie en allerlei misbruiken diepe sporen na.
  • De uitbreiding van handel en hoger onderwijs stimuleerden de drang naar ontdekking en verkenning. De belangstelling voor de "horizontale dimensie" van de natuur en het leven, de nieuwsgierigheid naar vreemde culturen, gebruiken en zeden (die kenmerkend was voor de ontluikende Renaissance), zwakte de "verticale" gerichtheid op het goddelijke af. De religieuze motieven om te pelgrimeren bleven wel, maar ze raakten vermengd met een (toeristische getinte) hang naar het avontuurlijke en exotische.
  • In héél Europa nam de verstedelijking toe. Het feodaal systeem plus de daarmee verbonden macht van de adel en de geestelijkheid brokkelden af. In enkele landen werd een begin gemaakt met de vestiging van een sterk centraal gezag. De langdurige strijd tussen Frankrijk en Engeland (de Honderdjarige Oorlog) beinvloedde ongunstig het economisch leven en verdeelde de Westerse christenheid.

uitholling van de devotie-bedevaarten

Pelgrims arriveren bij een gasthuis. Detail Hongaars altaarstuk, 1475.
Pelgrims arriveren bij een gasthuis. Detail Hongaars altaarstuk, 1475.

Er slopen tijdens de 15de en 16de eeuw steeds meer misbruiken binnen in de bedevaarten zélf. Geen wonder dat deze aan belang inboetten.

  • Een toenemend aantal zogeheten "devotie-bedevaarders" ging zich voor een stuk als nieuwsgierige toeristen gedragen.
  • De opkomst van benden valse pelgrims ("coquillards"), die het gemunt hadden op de echte pelgrims, brachten de reputatie van de bedevaarders in het algemeen in gevaar.
  • Het kwam steeds meer voor dat iemand die een bedevaart-gelofte had gedaan en naderhand om een of andere reden niet kon, niet mocht of niet wilde vertrekken, de pelgrimstocht dan maar liet uitvoeren door een plaatsvervanger (uit dezelfde rang of tenminste uit een vergelijkbaar milieu van de opdrachtgever), of zelfs (tegen betaling) door een beroepspelgrim. Beroepsbedevaarders waren lang niet altijd toonbeelden van devotie en deugdzaamheid. Vaak ging het om avonturiers of nietsnutten die alle andere pelgrims, ook de goede, in een kwaad daglicht stelden.

    Pelgrims. Fresco, 14de eeuw. Sutri, Santa Madonna del Parto kerk
    Pelgrims. Fresco, 14de eeuw. Sutri, Santa Madonna del Parto kerk

  • Vanaf de 11de eeuw waren er per testament vastgelegde bedevaarten, die een van de erfgenamen moest overnemen. Ook die erfgenaam kon een plaatsvervanger of beroepspelgrim in zijn plaats op pad sturen om de gelofte na te komen.
  • Zelfs strafbedevaarten, vooral in de Nederlanden opgelegd door een kerkelijke of burgerlijke rechtbank, konden worden afbetaald. Er bestonden hiervoor zelfs tarieflijsten. Uit de stadsakten van Antwerpen bijv. blijkt dat 57 % van het totaal aantal veroordeelden niet daadwerkelijk op bedevaart ging.

ontsporingen van de reliekencultus

medaillon met relieken van verscheidene heiligen
medaillon met relieken van verscheidene heiligen.

In de late middeleeuwen liep de relikwieënverering volledig uit de hand. Een algemeen Concilie in Lyon (13de eeuw) verklaarde formeel dat recent gevonden relieken niet mochten worden aanbeden, tenzij die door de paus waren goedgekeurd. Maar allerlei uitwassen en bijgelovige praktijken verduisterden de officiële kerkelijke leer terzake.

  • Er was een ware wildgroei van het aantal in omloop zijnde relikwieën. Elke klooster- of parochiekerk was erop uit om zoveel mogelijk relieken van populaire heiligen te bezitten, want die trokken pelgrims aan en brachten dus geld in het laatje.
  • Er bestond een bloeiende handel in relieken, omdat de vraag ernaar het aanbod ver overtrof. Relieken werden niet enkel geruild tussen kerken, abdijen of bisdommen, maar ook verkocht, via niet-kerkelijke tussenpersonen, vaak aan de meest-biedende.

    schedelreliek versierd met bloemenkrans
    middeleeuwse schedelreliek versierd met bloemenkrans

  • Sommige monniken en geestelijken maakten zich zelfs schuldig aan diefstal van relieken. Dat werd niet beschouwd als zonde, vanuit de achterliggende redenering dat het slechts ging om een verandering van eigenaar van iets wat eigenlijk toebehoorde aan alle christenen. Het stelen van een reliek was ook geen strafbaar feit, tenzij men op heterdaad werd betrapt!
  • Het eindeloos opdelen van relieken zorgde automatisch voor een vervaging van de grens tussen echte en nep-relieken. Geen wonder dat één bepaalde reliek soms op meerdere plaatsen tegelijk aanwezig was. Het hoofd van Johannes de Doper kon in minstens 10 heiligdommen worden vereerd. Van het gebit van de H. Apollonia werd op meer dan 100 plaatsen een tand getoond.
  • Er was ook een opbod van speciale relieken, waarbij een grote creativiteit aan de dag werd gelegd. Zo bestonden er reliekhouders met de steen die Jezus niet had om zijn hoofd op te leggen, met de teerlingen van de Romeinse soldaten die dobbelden om Jezus' kleren, met een beentje van de haan die kraaide na Petrus' verloochening van Jezus, met een stuk van de ladder van de kruisafneming, enz.

binnenkerkelijke kritiek

De schepping. Miniatuur, 13de eeuw. Lucca, Boek van Goddelijke Werken van Hildegard van Bingen
Miniatuur, 13de e. Lucca, Boek van Goddelijke Werken, Hildegard van Bingen

Vanaf de 15de eeuw kwamen er binnenkerkelijk veranderende opvattingen naar boven in verband met het pelgrimeren. Er tekende zich duidelijk een tendens af naar verinnerlijking van het geloofsleven in het algemeen, en van de bedevaart in het bijzonder. Hoe aantrekkelijk het ook was om gewijde plaatsen persoonlijk te bezoeken, groeide stilaan het besef dat het helemaal niet nodig was om op reis te gaan naar een verre vereringsplaats, om met het heilige in contact te komen en bepaalde religieuze rituelen te vervullen. Bedevaarders kregen het verwijt te horen dat ze te veel geloofden in beelden, relieken en heilige plaatsen i.p.v. in een alomtegenwoordige God.

Opengeslagen getijdenboek van Geert Grote, de oprichter van de Moderne Devotie
Opengeslagen getijdenboek van Geert Grote, oprichter van de "Moderne Devotie"-beweging

Aan het einde van de 14de eeuw ontstond de "Moderne Devotie", een spirituele hervormingsbeweging, die zich over héél Europa verspreidde. De grondlegger ervan was Geert Grote. Samen met zijn volgeling Floris Radewijns, stichtte hij de "Broeders (en later ook Zusters) des Gemenen Levens" en richtte in 1387 een eerste klooster op in Windesheim nabij Zwolle. Van daaruit verspreidde de beweging zich over een 100-tal kloosters in héél Noord-Europa. De "Moderne Devotie" bestond uit geestelijken én leken, die in woongemeenschappen samenleefden, maar die géén kloostergeloften aflegden. De leden verzetten zich tegen allerlei misstanden in de Kerk en stonden een grondige hervorming voor van het christelijk leven voor, door het benadrukken van de individuele levensheiliging en persoonlijke relatie met God.

Het overgebleven brouwershuis van het klooster in Windesheim
Het overgebleven brouwershuis van het 14de-eeuwse klooster in Windesheim

Binnen de beweging kwam het begrip "spirituele bedevaart" (perigrinatio religiosa") in zwang, waarbij in de geest een of meer heilige plaatsen werden "bezocht" en vereerd. Volgens de "Moderne Devotie" is het leven van de christen zélf een bedevaart, een innerlijk avontuur, een tocht van de geest naar de hereniging met God. De uiterlijke tekenen van devotie zijn verdienstelijk, maar niet noodzakelijk. Het accent ligt immers op de verinnerlijking van het geloofsleven, de individuele verhouding tussen de gelovige en God. Om dichter bij God te komen, was het niet nodig om thuis weg te gaan en verre reizen te ondernemen. Het geld voor die reizen kon beter worden besteed aan werken van liefdadigheid voor de armen in de directe omgeving.

Thomas a Kempis, 16de-eeuwse ets.
Thomas a Kempis. 16de-eeuwse ets.

Een bekende volgeling van de beweging was de mysticus en reguliere kanunnik Thomas a Kempis (ca. 1380-1472), auteur van de "Navolging van Christus". Hij schreef dat een mens altijd een vreemdeling en pelgrim is, ongeacht de plaats waar hij zich bevindt. Voor hem was de ware pelgrimstocht een innerlijke reis op het pad van de geest, met de levende Christus als het ultieme doel. In dat opzicht is elke christen een pelgrim onderweg naar het "Beloofde Land", de "Hemelse stad". Hij hekelde de vele pelgrims die hun geloof niet kenden en, geleid door nieuwgierigheid en door de drang om rond te kijken, op bedevaart gingen "meer voor de gezondheid van hun lichaam dan van hun ziel. Meer om welvarend te worden in deze wereld dan om de verrijking met deugden van hun ziel". De pelgrims, die aan einde van hun reis de heiligheid bereiken, zijn zeldzaam, merkte Thomas a Kempis op.

de humanisten

Desiderius Erasmus. 16de eeuws schilderij.
Desiderius Erasmus. 16de-eeuws schilderij.

Bij het aanbreken van de 16de eeuw klonk de kritiek op de bedevaarten en vooral op de daarmee gepaard gaande uitwassen (de reliekenverering en de aflatenpraktijken) steeds luider. Met name de misbruiken in verband met de aflaten wekten steeds meer weerstand op binnen de clerus, bij de theologen en onder het toenemend aantal geletterden (afgestudeerden aan een universiteit). De groeiende scepsis werd het scherpst verwoord door de Nederlandse christelijke humanist en Augustijner monnik Desiderius Erasmus (1467-1536) in zijn "Lof der Zotheid" en in "Samenspraak" ("Colloquia", 1518).

Erasmus veroordeelde het verschijnsel bedevaarten niet, als deze voortkomen uit zuivere geloofs-intenties. Hij stoorde zich wel aan alle uiterlijk vertoon errond en vroeg de bedevaarders schertsend: "Waarom lopen jullie rond in kleren, die met schelpen zijn behangen?". Hij was vlijmscherp voor de bijgelovige uitwassen van de heiligenverering, die hij omschreef als volksverlakkerij en vergeleek met de veelgoderij in de heidense oudheid.

Pelgrims op weg naar Compostela. Miniatuur, 13de eeuw, Cantigas de Maria.
Pelgrims op weg naar Compostela. Miniatuur, 13de eeuw, Cantigas de Maria.

Maar de meest ongenadige kritiek spuide hij op de reliekenhandel. Sarcastisch merkte hij op dat men met al het hout dat van Jezus' kruis als reliek werd bewaard een héél schip kon bouwen! "U hecht waarde aan een stuk van Paulus' lichaam dat achter glas te zien is, en u verbaast zich niet over de hele geest van Paulus die uit zijn geschriften blijkt", hekelde Erasmus.

Als een volgeling van de "Moderne devotie" vond Erasmus de bedevaarten eigenlijk helemaal niet nodig: het gaat in het leven veeleer om de "peregrinatio religiosa", om de innerlijke weg naar God via het beoefenen van de christelijke deugden, via het nakomen van zijn familiale verplichtingen en via de vervulling van de plichten van staat, gewoon thuis. Daarom zijn giften aan de armen in uw buurt beter besteed dan aan de katedraal van Compostela.

de reformatie

De H. Schrift: het enige gezag voor protestanten. Lutherse Bijbel, Magdeburg, H. Walther, 1545.
De H. Schrift: voor protestanten het enige gezag. Lutherse Bijbel, Magdeburg, H. Walther, 1545.

De Moderne Devotie van Geert Grote en de christelijke humanisten zoals Erasmus, Rabelais, Huss e.a. effenden, wellicht ongewild, de weg voor de Reformatie bij het begin van de Moderne Tijd, in de 16de eeuw. De kopstukken van de Hervorming, Luther, Calvijn en Zwingli, haalden niet enkel genadeloos uit naar de bedevaarten, de heiligenverering, de reliekencultus, de aflatenhandel e.d., ze gingen ook regelrecht in de aanval ertegen.

    Maarten Luther. Schilderij, 1532.
    Maarten Luther. Schilderij, 1532.

  • De Duitse augustijner-monnik en hoogleraar moraaltheologie Maarten Luther (1483-1546) stelde de reliekenverering aan de kaak en vooral de verkoop van aflaten, die voor pelgrims centraal stonden. Toen paus Leo X een aflaat verleende aan alwie een aalmoes schonkt voor de nieuwbouw van de St. Pietersbasiliek in Rome, publiceerde Luther in 1517 zijn 95 academische stellingen. Voor Luther was niet enkel de verzameling van maar liefst 17.000 relieken in zijn eigen klooster in Wittenberg een steen des aanstoots. Hij nam ook de Jacobus-cultus in Compostela op de korrel: "Men weet niet of in het graftombe van de apostel in Compostela een dode hond of een dood paard rust. Laat hem reizen die dat wil, maar stop er dus mee en ga er niet naartoe en blijf thuis".

    Luther vond dat alle bedevaarten maar best werden verboden. De mens kon zich, volgens hem, niet redden door goede werken (zoals op pelgrimstocht gaan of aalmoezen geven om aflaten te verdienen), maar alléén door Gods genade, zonder enige tussenkomst van heilige bemiddelaars. Niet de paus is de autoriteit in de Kerk, enkel het woord van God in de H. Schrift. In 1521 werd hij door Rome geëxcommuniceerd en dat betekende het symbolische begin van het protestantisme.

    Johannes Calvijn. Ets, 16de eeuw. Genève, Universiteitsbibliotheek.
    Johannes Calvijn. Ets, 16de eeuw. Genève, Universiteitsbibliotheek.

  • De Frans-Zwitserse theoloog Johannes Calvijn (1509-1564) wordt in één adem genoemd met Luther. Hij ging in zijn "Traité des reliques" eveneens fel te keer tegen wat hij noemde "de bijgelovige en onbijbelse praktijken" en de "valse vroomheid", verbonden aan bedevaarten. De Calvinisten stonden ronduit vijandig tegenover pelgrims en heiligenverering. De enige pelgrimstocht die volgens hen telde was de levenslange geestelijke pelgrimage van elke christen naar het hemels koninkrijk. In tegenstelling tot Luther (die afbeeldingen duldde, op voorwaarde dat men ze niet vereerde) moesten Calvijn en zijn metgezellen niet weten van religieuze afbeeldingen, want die leiden automatisch tot afgodendienst zoals in de antieke heidense godsdiensten.


    De tot geweld oproepende leer van Calvijn verspreidde zich meer en meer in de Nederlanden. In de zomer van 1566 brak in Steenvoorde (nu in Frans-Vlaanderen gelegen) de Beeldenstorm los. In Vlaanderen alléén werden in 3 weken tijd zo'n 400 kerken, kloosters, kapellen en hospitalen onherstelbaar geplunderd of vernield, o.m. het Gasthuis ten Bunderen in Moorslede (waarbij de zusters tot twee keer toe op de vlucht sloegen voor de alles vernietigende golf van geweld en nooit meer terugkeerden). Kerkmeubilair, liturgische gebruiksvoorwerpen en talloze religieuze beelden, schilderijen, en relieken - die zo'n grote rol speelden in het volksgeloof - werden door rondtrekkende Calvinistische hervormers genadeloos vernield.

    Willem van Oranje, aanvoerder van de Geuzen in de 80-jarige Oorlog
    Willem van Oranje, aanvoerder van het Geuzen-verzet in de 80-jarige Oorlog

    De Beeldenstorm leidde indirect tot het uitbreken van de 80-jarige Oorlog tussen enerzijds het bezettingsleger van de katholieke koning Filips II en anderzijds de opstandige "Geuzen" van Willem van Oranje die, vanuit de Noordelijke Nederlanden, de protestantse opstand leidde tegen het katholiek bewind. Het spreekt vanzelf dat de bedevaarten in onze streken een haast fatale klap werden toegebracht door deze aanslepende godsdienstoorlog, door de Beeldenstorm in de Nederlanden endoor de Reformatie in het algemeen.

de katholieke contra-reformatie

Een sessie van het Concilie van Trente, 1563.
Een sessie van het Concilie van Trente, 1563.

Op de Reformatie van Luther en Calvijn volgde onvermijdelijk een katholieke tegenreactie, een contra-reformatie ingeluid door het Concilie van Trente (1545-1563). Daar moest duidelijkheid worden geschapen omtrent de door de protestanten betwiste geloofspunten. Centraal stonden de verdieping en de verinnerlijking van het geloof. Het al te abundante volksgeloof werd binnen strakkere banen geleid. Alle misbruiken en vormen van bijgeloof in verband met de verering van heiligen, beelden en relieken werden streng aangepakt. Het Concilie van Trente kan dan ook worden beschouwd als de overgang tussen de middeleeuwse en de moderne Kerk.

De concilievaders oordeelden dat het goed en nuttig is om de heiligen te aanroepen omdat ze "de levende lidmaten van Christus en de tempels van de H. Geest" zijn. In de 17de eeuw werd door de Vlaamse Jezuïet Jan Bolland het naar hem genoemde Bollandisten-instituut voor hagiografie (= wetenschappelijke beschrijving van heiligenlevens) opgericht. De verzamelde historische gegevens over heiligen werden vanaf 1643 gebundeld in de "Acta Sanctorum". Dat leidde tot het afvoeren van nooit bestaande heiligen van de officiële kerkelijke kalender.

Voorpagina 1ste nummer Acta Sanctorum, januari 1643
Voorpagina 1ste nummer "Acta Sanctorum" van Jan Bolland, 1643

Het Concilie van Trente, dat probeerde om de reformatoren helder van repliek te dienen, besteedde uiteraard ook aandacht aan de misbruiken omtrent de reliekenverering. De deelnemers vonden dat het goed en nuttig is om relieken van heiligen te vereren. Maar die relieken zijn géén magische voorwerpen. Ze mogen dus nooit het doel op zich worden van verering, maar enkel een verwijzing inhouden naar een heilige aanwezigheid. Er werd een formele procedure uitgewerkt om de echtheid van heilige resten te controleren. Na zo'n onderzoek werden echte reliekhouders verzegeld en kregen een certificaat van de plaatselijke bisschop. Toch bleven er nog steeds relikwieën van twijfelachtig oorsprong in circulatie.

Het Concilie van Trente vondt dat het respect en verering voor afbeeldingen van bijv. Jezus, Maria en de heiligen gerechtvaardigd is, omdat "de eer die men hen bewijst, wordt overgedragen op de originelen die ze vertegenwoordigen". Maar dat wil nog niet zeggen dat men die beelden zélf enige goddelijkheid mag toekennen, zoals de heidenen doen voor hun afgodsbeelden.

de bedevaarten vanaf de 16de eeuw

Het Concilie van Trente handhaafde de legitimiteit en de waarde van bedevaarten, maar rekende tegelijk af met bepaalde misbruiken. De kerkleiders spanden zich in om de religieuze essentie van bedevaarten opnieuw duidelijk te maken: ten gronde zijn het daden van boetedoening en van voortdurende meditatie, een vorm van navolging van Christus.

De H. Ignatius van Loyola
De H. Ignatius van Loyola.

Nog vóór de besluiten van het Concilie van Trente van toepassing werden, kregen de bedevaarten een steun in de rug van St.-Ignatius van Loyola (1491-1556), stichter van de Jezuïetenorde. Pelgrimeren behoorde tot de kern van Ignatius' spiritualiteit. In zijn "Geestelijke Oefeningen" (1548) had hij het over een proces van verinnerlijking, d.w.z. over een echte pelgrimstocht (als daad van ascese) die overgaat naar een bedevaart "in geest en hart" waarbij men zich bepaalde gebeurtenissen, taferelen en concrete plaatsen uit het evangelie voorstelt. Hieraan lag in de 16de eeuw de verspreiding van de kruisweg in héél Europa ten grondslag: overweging en gebed bij 14 afbeeldingen van specifieke haltes (= staties), op de weg die Jezus in Jeruzalem zou hebben gevolgd, vanaf zijn veroordeling tot de plaats van zijn kruisiging op Golgotha.

Pelgrim. Beeld, 16de eeuw. Cahors, kloosterpand van de kathedraal
Pelgrim. Beeld, 16de eeuw. Cahors, kloosterpand van de kathedraal.

Na het Concilie van Trente kwamen de bedevaarten maar traag op gang. De Reformatie en de daarop volgende godsdienstoorlogen o.m. in de Nederlanden, lieten diepe sporen na. Er waren nog nauwelijks pelgrims uit de protestants geworden landen, zoals Skandinanvië, Engeland, de Noordelijke Nederlanden en een deel van de Duitse landen. In de katholiek gebleven landen, zoals Italië, Portugal, Spanje, Frankrijk en Vlaanderen gingen de bedevaarten weer door, m.n. naar nieuwe (Maria-)oorden zoals Loreto en Montserrat. De meeste gewone gelovigen lieten zich immers weinig gelegen aan de kritiek van het Humanisme, van de Reformatie en later van de Verlichting, en al evenmin voelden ze zich aangetrokken tot de "peregrinatio religiosa", de puur innerlijke pelgrimage naar het Hemelse Jeruzalem. In de volksreligiositeit bleef de behoefte bestaan om de geestelijke levenstocht te vertalen in lichamelijke uitdrukkingsvormen, zoals een echte bedevaart.

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail