De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Onderwijs als bron van inkomsten

schoolmeester met leerlingen (schilderij, einde 18de eeuw)
schoolmeester met leerlingen (schilderij, einde 18de eeuw)

1783 - Onder de Oostenrijkse keizer Jozef II worden het klooster van Ten Bunderen-Coninkxdaele in Ieper en ook alle onroerende eigendommen (boerderijen, bossen en landerijen) in Moorslede en omgeving in beslag genomen en tijdens het daaropvolgend Franse bewind (1794 - 1814) openbaar verkocht als "Biens Nationaux".

de Oostenrijkse keizer Jozef II
De Oostenrijkse keizer Jozef II

1785 - Zuster Carolina Verhelst, die op vraag van pastoor Maddens, naar Moorslede komt om er een Armenschool op te starten, bezit niets meer, behalve een schamel jaarlijks pensioen, als schadeloosstelling voor de inbeslagname van alle kloostergoederen van Ten Bunderen. De Armenschool in Moorslede wordt opgericht door fundaties, giften van begoede parochianen, door de zusters zélf en door de vorige pastoor Petyt, die in zijn testament de school begunstigde met in totaal 993 ponden grote 17 schellingen. Dat geld wordt beheerd door de paters Dominikanen in Ieper. Met de rente ervan kunnen de zusters dagelijks soep uitdelen aan de kinderen van de school. Maar tijdens de Franse Revolutie gaan 500 ponden van Petyt's nalatenschap verloren en moeten de zusters de soepbedeling noodgedwongen stopzetten.

Een assignaat, een stuk papieren geld gedekt door de verkoop van geconfisqeerde kerkgoederen
Een assignaat: een stuk papieren geld, in omloop gebracht door de Franse Republiek
tussen 1789 en 1796, gedekt door de verkoop van geconfisqeerde kerkgoederen

In de beginperiode leeft het klooster van Moorslede in grote armoede, zodat de overste telkens opgelucht is wanneer een zuster wordt gevraagd om elders een onahankelijk stichting (school, bejaardengesticht, hospitaal) te beginnen, op kosten van de plaatselijke parochie of "Armenbestuur". De zusters verzorgen zieken en bejaarden aan huis en later bejaarden in instituten. Gefortuneerde zieken betalen soms rijkelijk of doen een vrijwillige schenking.

De jonge communauteit moet dus zien rond te komen met giften van overwegend begoede parochianen, uit dankbaarheid voor bewezen diensten, uit genegenheid of "voor een goed werk". Verder zijn er er geen inkomsten. De "schoolvrouwen" in de Armenschool geven hun lessen gratis. Om in eigen onderhoud te voorzien richten de zusters in 1815 een betalend (franstalig) pensionaat op, maar de inkomsten zijn ontoereikend om de onkosten te dekken.

koning Willem I
koning Willem I der Nederlanden

Onder het Nederlands Bewind (1814 - 1830) voert koning Willem I een vruchtbare onderwijspolitiek door de oprichting van 4000 kosteloze lagere scholen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden: op zich een goede maatregel, want in het zuiden zijn er nog 228.000 ongeletterden, maar de katholieke scholen staan in de kou. Willem I laat een grondwet uitvaardigen waarin alle godsdiensten en kerkgenootschappen zijn gelijkgesteld en worden onderworpen aan het centrale gezag. Hij toont zich een vurige voorstander van een staatsmonopolie van het onderwijs. Dat jaagt de katholieke kerk in de Zuidelijke Nederlanden (aangevoerd door Mgr Maurice de Broglie van Gent) tegen hem in het harnas. Willem I dwarsboomt het vrij (katholiek) onderwijs, ten gevolge van dit felle en massale katholieke verzet. Zo legt hij alle kloostergemeenschappen strenge beperkingen op om zich aan onderwijs en ziekenverpleging te wijden. Geen enkele religieus of religieuze mag school houden zonder draagster te zijn van een "bekwaamheidsbrevet" en zonder een officiële benoeming.

Mgr Maurice de Broglie, bisschop van Gent
De Gentse bisschop de Broglie, leider vanhet katholiek verzet tegen Willem I

Het verzet tegen Willem I groeit, zowel bij de liberalen, die gekant zijn tegen zijn absolute macht en voorstander zijn van een strenge scheiding van kerk en staat, als bij de katholieken, die eveneens streven naar een scheiding van kerk en staat, maar ook en vooral naar vrijheid van onderwijs. Om dit "Monsterverbond" van liberalen en katholieken te breken, doet de koning toegevingen en komt er een mildere regeling tot stand voor de lagere scholen.

Zo mag de "Armenschool" in Moorslede blijven voortbestaan. Opdat het onderwijs toch iets zou opbrengen, wordt in 1826 in Moorslede een betalende "Fransche externe school" gebouwd. In 1829 ontstaat een "Doofstommenschool" waar alléén de ouders van rijke kinderen betalen. Een latere brief (1835) met aanvraag om staatssteun blijft onbeantwoord.

het Voorlopig Bewind (1830)
het Voorlopig Bewind (1830), auteur van de Belgische grondwet

Tijdens de Brabantse Omwenteling in 1830 worden de Nederlanders verdreven. Het Nationaal Congres (10 nov 1830 - 4 juni 1831) roept de onafhankelijkheid uit van België. Op 7 februari 1831 is de tekst van de grondwet klaar, die nadrukkelijk de scheiding van kerk en staat erkent en alle moderne vrijheden (o.m. die van eredienst en van onderwijs) proclameert.

Artikel 17 van de nieuwe Belgische grondwet luidt: "Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden...". Enerzijds mag dus om het even wie, zonder bewijzen van bekwaamheid, een school openen en/of les geven. Er is geen staatstoezicht. Anderzijds hebben alle jongens én meisjes (voor wie het onderwijs eeuwenlang vrijwel onbestaande was) recht op onderwijs, maar géén verplichting.

19de eeuwse dorpsschool
19de eeuwse dorpsschool

Onmiddellijk na de onafhankelijkheid neemt het Belgisch episcopaat het besluit om in elke parochie een kosteloze katholieke lagere school te laten oprichten. Op tal van plaatsen ontstaat dan ook een privé-initiatief van de plaatselijke pastoor, met de hulp van "godvruchtige juffrouwen" of de koster. Omdat het lager onderwijs nagenoeg uitsluitend in handen is van de geestelijkheid blijft een reactie van de lokale overheid niet uit. Na de Gemeentewet van 1836 gaan ook de burgemeesters en gemeentebesturen zich ijverig inlaten met onderwijstaken, met de oprichting van een gemeenteschool.

Het zal nog tot na 1842 duren vooraleer de zusters van Moorslede financiële steun krijgen van de overheid (gemeente, staat) voor hun werk in de scholen. Vanaf dat jaar, in de verdere loop van de 19de en de 20ste eeuw, vormen de subsidies voor het lager en secundair onderwijs in het hoofdklooster van Moorslede, in de wijkscholen, in de filialen elders in West-Vlaanderen en in het Congolese missiegebied de belangrijkste inkomstenbron voor de Congregatie. De toelagen van de overheid (gemeente, provincie, staat) aan de scholen en het onderwijzend personeel van Ten Bunderen evolueren mee met de van kracht zijnde schoolwetgeving. Hier volgt in kort bestek een overzicht van de evolutie van de subsidie-wetgeving tot het einde van de vorige eeuw. (De subsidiëring van het vrij onderwijs in de Congo-missie laten we hier buiten beschouwing.)

Jean-Baptiste Nothomb
Minister Jean-Baptiste Nothomb

1842 - Minister Jean-Baptiste Nothomb vaardigt op 23 september de eerste organieke wet op het lager onderwijs uit. Het is een compromis tussen de 2 regerende partijen (katholieken en liberalen), dat een schoolvrede bewerkt in ons land die 37 jaar lang duurt. Dit zijn de voornaamste bepalingen:

  • Elke gemeente moet een lagere school hebben. Het benoemingsrecht komt toe aan de gemeente. De geestelijkheid krijgt enkel toezicht op de godsdienstlessen.
  • De gemeente kan aan deze verplichting voldoen als ze een bestaande vrije (katholieke) school als gemeenteschool "aanneemt", dwz subsidiëert.
  • De kosten voor de oprichting en het onderhoud van het kosteloos gemeentelijk onderwijs komt ten laste van de gemeente, maar de provincie en de staat, moeten zo nodig helpen.
De wettekst is hier en daar vaag geformuleerd, zodat hij makkelijk in katholieke of liberale zin kon worden geinterpreteerd. Bij de toepassing ervan blijkt later dat veel afhangt van de toevallig aan de macht zijnde meerderheid in de gemeente of in het nationale parlement. Zo komt het dat op vele plaatsen van het land de gebouwen van de vrije scholen in verval geraken, omdat de lage ontvangsten de hoge kosten onmogelijk kunnen dekken. Vanaf 1859 werkte de Staat dit verval zelfs in de hand door de gemeenten langs administratieve weg te beletten, of minstens te ontmoedigen om nog een vrij school aan te nemen.

premier Frère-Orban
Premier Frère-Orban, mede-ontwerper van de beruchte "ongelukswet"

1879 - Op 1 juli proclameert de radicaal-liberale regering van Walthère Frère Orban (1878-1884), die over een volstrekte meerderheid beschikt in het parlement, een tweede organieke wet op het lager onderwijs, in de volksmond veelal "de ongelukswet" genoemd. Minister van Openbaar Onderwijs Pierre Van Humbeeck, anti-katholiek en vooraanstaand logelid, bepaalt daarin het volgende:

  • Elke gemeente moet minstens één officiële school hebben, toegankelijk voor zowel jongens als meisjes.
  • Enkel de onderwijzers met een diploma van een rijksnormaalschool mogen les geven in de neutrale school.
  • De gemeenten krijgen het verbod voortaan vrije scholen te subsidiëren, de zgn "aangenomen" scholen worden afgeschaft.
  • De cursus zedenleer vervangt het vak godsdienst, dat enkel nog op uitdrukkelijk verzoek van de ouders en buiten de lesuren mag gegeven worden door de priester.

antiklerikale spotprent in het Brussels liberaal weekblad 'La Bombe'
antiklerikale spotprent, Brussels liberaal weekblad "La Bombe" (1978)

Meteen breekt een heftige "schoolstrijd" los, die heel het land op stelten zet. In Vlaanderen worden de woorden van "De Vlaamse Leeuw" als volgt aangepast: "Zij zullen haar niet hebben, de schoone ziel van 't kind, Ondanks de helsche listen, van 't geusche schrikbewind" enz..

De bisschoppen publiceren een vastenbrief, met de laatste woorden "... van scholen zonder God en meesters zonder geloof, verlos ons Heer". Ze treffen strenge kerkelijke sancties: de sacramenten (communie, berechting en kerkelijke begrafenis) worden geweigerd aan onderwijzers in de staatsscholen, aan de leerlingen van de officiële normaalscholen en aan de ouders (behoudens in speciale gevallen), die hun kinderen naar een neutrale "goddeloze" school sturen. De kinderen zélf krijgen geen hostie op het communiefeest. Deze maatregelen hebben onmiddellijk zeer zware gevolgen: uit gewetensbezwaren nemen in het hele land honderden leerkrachten ontslag uit de staatsscholen. In Moorslede trekken de katholieke ouders de jongens uit de gemeenstscholen terug en zenden ze naar het klooster, waar er plaats is voor al de leerlingen en hun hoofdonderwijzer.

leesplankje voor de basisschool
leesplankje voor de basisschool

Onder het Latijnse motto: "Omnis parochia habeat suam scholam" ('opdat elke parochie moge beschikken over een eigen school') geven de bisschoppen de opdracht aan elke pastoor om het nodige private geld in te zamelen voor de oprichting van een katholieke school. Deze verordening ligt aan de grondslag van de vele schoolfilialen van de Zusters van Moorslede in het laatste kwart van de 19de eeuw: tal van pastoors in West-Vlaanderen komen bij hen aankloppen om in hun parochie een kleuter en/of lagere school te leiden en er les te geven. De filialen aan de kust (Middelkerke, Mariakerke en Knokke) bieden bovendien tot in 1914 logies aan aan "dames en juffrouwen, die eenigen tijd aan zee willen verblijven", om zo wat extra-inkomsten te vergaren.

Minister Victor Jacobs
Minister Victor Jacobs

1884 - Bij de parlementsverkiezingen van 10 juni lijden de liberalen een verpletterende nederlaag. Twee oorzaken: hun sectaire anti-katholieke houding én de hoge kosten voor de talloze nieuwe staatscholen en hun onderwijzer(s), waarvoor zelfs bijkomende taksen zijn geheven op tabak en drank. De katholieke meerderheid schaft de "ongelukswet" af en de regering Jules Malou-Jacobs-Woeste gooit radikaal het roer om. Op 20 september komt de bevoegde minister Victor Jacobs met de derde organieke wet op het lager onderwijs. De essentie komt hierop neer:

  • het lager onderwijs komt opnieuw in handen van de gemeenten, die allemaal minstens één school moeten bezitten. Met de goedkeuring van de Bestendige Deputatie mogen ze opnieuw vrije scholen "aannemen" en dus subsidiëren.
  • De gemeentebesturen beslissen zélf of het godsdienstonderwijs deel uitmaakt van het schoolprogramma. Bovendien kan elke huisvader zijn kind laten ontslaan van godsdienstles.
  • Een onderwijzer moet geen bezitter meer zijn van een officieel diploma om benoemd te worden in een gemeenteschool.

lei, griffel en spons
lei, griffel en spons

Deze nieuwe wet brengt een betrekkelijke rust terug op het schoolfront. Toch zijn de katholieke ouders in Moorslede minder geneigd om hun kinderen naar de gemeenteschool terug te sturen. Een vrije kleuterschool bestaat al bij de zusters. In 1891 wordt een betalende vrije jongensschool gesticht. In datzelfde jaar opent het klooster een betalende school voor jongens in de Gentstraat, het "Klein College" genoemd.

Minister Frans Schollaert
Minister Frans Schollaert

1895 - Op 15 september wordt, op initiatief van minister Frans Schollaert, een vierde organieke wet op het lager onderwijs van kracht, die zeer gunstig is voor de katholieke scholen. Deze omvat volgende bepalingen:

  • Het godsdienstonderricht wordt weer verplicht, behalve wanneer de ouders er zich schriftelijk tegen verzetten.
  • De staat kan de vrije scholen subsidiëren, die aan de wettelijke voorwaarden voldoen, dwz als ze het wettelijk vastgesteld programma en staatsinspectie aanvaarden.
Directeur Désiré Lescouhier zorgt ervoor dat alle scholen, onder het beheer van het hoofdklooster in Moorslede, dus ook die van de filialen en de wijkscholen als "aanneembaar" worden erkend. Ze komen dus voortaan in aanmerking voor financiële steun van het plaatselijk gemeentebestuur. De feitelijke aanneming hangt natuurlijk af van de politieke gezindheid van de meerderheid binnen dat bestuur.

Minister Prosper Poullet
Minister Prosper Poullet

1914 - Minister Prosper Poullet brengt op 19 mei de vijfde organieke wet op het lager onderwijs uit, met o.m. volgende bepalingen:

  • De gemeenten zijn niet meer verplicht om vrije scholen te subsidieren.
  • De staatssubsidies voor vrije scholen gaan naar omhoog.
  • De onderwijzers in het vrij onderwijs krijgen een bezoldiging die gelijk is met die van hun collega's in de gemeentescholen, op voorwaarde dat ze beschikken over de nodige diploma's en staatscontrole op de schoolprogramma's toelaten.
  • De aankoop en het onderhoud van scholen en hun lokalen blijven voor rekening van het vrij onderwijs zélf.
  • In de strijd tegen het analfabetisme wordt de leerplicht verlengd tot 12 jaar, de leerduur tot 14 jaar, wat de oprichting van een 4de de graad (5de en 6de leerjaar) inhoudt.

Minister Jules Destrée
Minister Jules Destrée

1919 - Om de schoolvrede te waarborgen vaardigt de socialistische minister van Kunsten en Wetenschappen Jules Destrée een wet uit waardoor de onderwijzers van zowel de gemeentelijke als vrije (kleuter, lagere en technische) scholen rechtstreeks door de staat worden bezoldigd. Weliswaar is er één restrictie voor de (gediplomeerde) religieuzen: zij krijgen als wedde slechts 50% van de officiële barema's. Daardoor worden alle kleuter en lagere scholen en het technisch onderwijs, gesteund. Minister Destrée verlengt twee jaar later nog de leerplicht tot 14 jaar en de kinderen moeten vanaf 6 jaar naar school.

Voor Ten Bunderen heeft de wet-Destrée van 1919 alvast drie belangrijke gevolgen:

  • al de kleuter- en lagere scholen van ten Bunderen in Moorslede, in de wijkscholen en in de filialen worden gesubsidieerd, ook de in 1923 opgerichte Landbouwhuishoudschool in Moorslede.
  • de onderwijzende zusters ontvangen de helft van de wedde van de andere leerkrachten.
  • Alle kosten voor de schoolgebouwen (nieuwbouw en verbouwingen) blijven ten laste van de inrichtende macht, de zusters of de pastoor.

Minister Pierre Harmel
CVP-Minister van Openbaar Onderwijs Pierre Harmel

1952 - De middelbare scholen zijn, door de democratisering van het onderwijs, sterk in aantal en omvang toegenomen. Het middelbaar rijksonderwijs kost de ouders niets, terwijl de (ook minderbedeelde) ouders, die hun kinderen naar het vrij secundair onderwijs sturen, schoolgeld moeten betalen, omdat die scholen niet of weinig worden gesubsidieerd. Volgens Minister van Openbaar Onderwijs Pierre Harmel van de homogene CVP-regering (1950-1954) brengt dat de grondwettelijke vrijheid van schoolkeuze in het gedrang. Daarom vaardigt hij een wet op het secundair onderwijs uit, die de vrije keuze van de school helemaal moet waarborgen. Deze wetgeving lokt bij de (socialistische en liberale) oppositie een krachtige reactie uit.

  • Vrije middelbare onderwijsinrichtingen, die aan zekere voorwaarden voldoen (het schoolgeld verminderen en een wedde uitkeren aan het lekenpersoneel die gelijk is aan die in rijksonderwijs) krijgen staatssubsidies, op basis van het aantal leerlingen.
  • De geestelijke leerkrachten (priesters en religieuzen) krijgen 50% van de wedde uit het officieel onderwijs.
  • Zoals voor de staatsscholen krijgen minder begoede ouders, die hun kind(eren) naar een vrije middelbare school sturen, vrijstelling of vermindering van schoolgeld.

Eerste Minister Achille Van Acker
Eerste Minister Achille Van Acker
Minister Leo Collard
Minister van Onderwijs Leo Collard

1954 - De regering Achille Van Acker (1954-1958), gesteund door een meerderheid van socialisten en liberalen, komt aan de macht. In september worden 110 leraren, met een diploma van het vrij onderwijs, uit het officieel onderwijs gezet, en de staatstoelagen aan het vrij onderwijs worden met 442 miljoen fr verminderd.

1955 - Op 27 juli pakt de socialistische onderwijsminister Léo Collard (1954-58) uit met een nieuwe schoolwetgeving m.b.t. het secundair onderwijs, die als een heuse oorlogsverklaring wordt ervaren in het vrij katholiek onderwijs.

  • De staatssubsidies aan de vrije secundaire scholen worden drastisch verminderd met 1,5 miljard fr.
  • Er kan slechts sprake zijn van verdere subsidiering van vrije scholen, wanneer ze minstens 2 jaar hun bestaansreden duidelijk hebben bewezen (uitgezonderd de technische en normaalscholen). De overheid legt bovendien beduidend hogere schoolbevolkingsnormen vast voor het vrij onderwijs dan voor het rijksonderwijs.
  • De leerlingen van de vrije normaalscholen moeten bij het eindexamen onderworpen worden aan een gemengde jury (voor de helft samengesteld uit het officieel onderwijs)
  • De gediplomeerde leerkrachten van het vrij krijgen dezelfde wedde als in het officieel onderwijs, en dat geld wordt niet via de school maar rechtstreeks uitbetaald aan de betrokkenen. De priester-leraren of religieuzen-leerkrachten ontvangen slechts de helft van de normale wedde.
  • de staat richt, naar eigen goeddunken, een voldoende aantal nieuwe rijksscholen op overal in het hele land, met name in Vlaanderen.

optocht in Mechelen
optocht in Mechelen
betoging in Antwerpen
betoging in Antwerpen

Deze wet doet een tweede grote schoolstrijd in ons land losbranden, met enerzijds de christendeocraten van CVP/PSC, de traditionele verdedigers van het katholiek onderwijs, en anderzijds het anti-klerikale front van socialisten, liberalen en communisten, die zich als de behoeders van het rijksonderwijs opwerpen. Een "Nationaal Comité voor Vrijheid en Democratie", bundelt het verzet tegen minister Collard's schoolpolitiek en organiseert overal ten lande stakingen en massale protestbetogingen, o.m. een mars op Brussel, die zo'n kwart miljoen mensen op de been brengt! Uit alle kelen wordt de kreet "Weg met Collard" gescandeerd.

Eerste Minister Gaston Eyskens
premier Gaston Eyskens

1958 - Wanneer de socialisten en liberalen bij de parlementsverkiezingen hun meerderheid kwijtspelen, treedt een homogene CVP-regering aan o.l.v. Gaston Eyskens, die in de Senaat maar niet in de Kamer over een meerderheid beschikt. Het kabinet-Eyskens, installeert een Nationale Schoolcommissie, met vertegenwoordigers van de drie traditionele politieke families (christendemokraten, socialisten en liberalen), die al snel een beginsel-akkoord bereikt over de voornaamste onderwijskwesties.

ondertekening van het schoolpakt in 1958
ondertekening van het schoolpakt in 1958. Hier is het de beurt aan Leo Collard,
onder het waakzaam oog van onderwijsminister Maurits Van Hemelrijck

Op 20 november volgt de plechtige ondertekening door de 3 grote politieke partijen, van het "Schoolpact". Dit pact gaat uit van enkele fundamentele beginselen om de wankele schoolvrede te herstellen en veilig te stellen voor een periode van 12 jaar.

1959 - Op 29 mei wordt een onderwijswet uitgevaardigd voor alle kleuterscholen, lagere en secundaire scholen. Deze voorziet o.m. in de uitbetaling door de overheid (niet langer meer door de gemeente!) van 3 soorten toelagen aan het vrij gesubsidieerd onderwijs, ook aan de scholen van de Zusters van O.-L.-Vrouw-ten-Bunderen.

  • weddetoelagen: alle gediplomeerde leerkrachten, zowel in het officieel als in het vrij onderwijs, worden gelijk bezoldigd. De wedden in de vrije scholen wordt door de staat rechtstreeks aan de betrokkenen uitgekeerd, dus niet via de school. Het beginsel van het pensioen geldt zowel voor leken als voor geestelijken. Voor de priesters en kloosterlingen zijn er beperkingen:
    1. in het kleuter- en lager krijgen ze 60% van de wedde der leken
    2. in het secundair (middelbaar en technisch) onderwijs ontvangen ze de minimumwedde van de lekenleraars, verhoogd met 15% na 15 dienstjaren.
  • werkingstoelage: deze wordt jaarlijks berekend en forfetair toegekend naargelang van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen, en mag enkel worden besteed aan de leerlingen. Deze toelage is gebonden aan de evolutie van het index-cijfer.
  • uitrustingstoelagen: deze mogen 60 % bedragen van de waarde van het aan te schaffen schoolmateriaal. De staat verleent géén enkele toelage aan de bouw en het onderhoud van schoolgebouwen en klassen in het vrij onderwijs.

Eerste Minister Edmond Leburton
Eerste minister Edmond Leburton

1973 - Onder de tripartite regering-Leburton wordt een verruimde Nationale Schoolpact-Commissie opgericht, met daarin, naast de 3 regeringspartijen, ook de VU. De Commissie, o.l.v. vice-premier Leo Tindemans, bestaat uit 4 werkgroepen, en beoogt de herziening en aanvulling van de wetten van 1959, die voortvloeiden uit de eerste Schoolpact-Commissie. Een nieuwe onderwijswet bevat in hoofdzaak volgende bepalingen, die betrekking hebben op het vrij onderwijs:

  • de wedden van alle leerkrachten in het rijks en gesubsidieerd net zijn gelijkgesteld. Voor geestelijke leerkrachten, die in een gemeenschap (van meer dan 6 leden) leven, wordt een uitzondering gemaakt: die ontvangen slechts 60 % van de wedde; deze wordt verhoofd met 15% na 15 jaar dienst en na 20 jaar volledig gelijkgesteld met de wedden van de andere leraren.
  • de werkingstoelagen in het vrij gesubsidieerd onderwijs worden verhoogd met 50% in het kleuter en lager onderwijs en met 25 % in het secundair. Deze toelagen moeten tenminste voor 35% in het kleuter en lager en voor tenminste 20% in het secundair besteed worden aan de lonen van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, dat tot dusver onbezoldigd was.
  • er worden 4 bouwfondsen opgericht voor schoolgebouwen, waarvan er 2 van belang betrekking hebben op het katholiek onderwijs.
    1. het "Algemeen Fonds voor Schoolgebouwen" dat jaarlijks een dotatie krijgt op de rijksbegroting. De verdeling ervan wordt elk jaar in de regering vastgelegd.
    2. het "Nationaal Waarborgfonds voor Schoolgebouwen", dat de terugbetaling waarborgt van leningen op korte termijn voor geschiktmaking-, modernisering, verbouwing of uitbreiding van bestaande gebouwen, of nieuwe vestiging van bestaande inrichting. Het Fonds verleent voor deze leningen een rentetoelage. Het maximum-bedrag van die leningen beloopt voor het vrij onderwijs 2 miljard fr per jaar.


1975 - Het Vernieuwd Secundair Onderwijs (VSO) - met de structuur van 3 x 2 leerjaren - dat in het begin der jaren 70 was ingevoerd, wordt verplicht in het Rijksonderwijs. In het katholiek onderwijs laat men de keuze tussen het VSO (Type I) en het traditionele onderwijs (Type II). In de jaren ’80 leidt de felle interne verdeeldheid in het katholiek onderwijs tot het uitvaardigen van het "Eenheidstype", een samenvoeging van al het goede van Type I en Type II. Het Vlaamse Rijksonderwijs sluit zich hierbij aan en in 1989 is er in Vlaanderen enkel nog sprake van de "Eenheidsstructuur", in Wallonië blijft men vasthouden aan het VSO.

1983 - De leerplicht wordt verlengd. Voortaan moet elk kind vanaf z'n zesde tot z'n achttiende onderwijs volgen.

Vlaams Onderwijsminister Daniel Coens
De 1ste Vlaamse onderwijsminister Daniel Coens

1988-89 - De volledige comunautarisering van het onderwijs, vanaf 1969 ingezet met geleidelijke overheveling van de nationale sectoren en bevoegdheden naar de gemeenschappen, is nu een feit. In Vlaanderen stippelen voortaan de Vlaamse Onderwijsminister (Daniel Coens is de eerste in de rij) en het Vlaams Parlement het beleid uit. De Schoolpact-commissie is niet meer nodig want nieuwe overleg- en adviesorganen ontstaan. In 1991 richt het Vlaams Parlement de VLOR (= Vlaamse Onderwijsraad), op, dat het departement onderwijs bijstaat en alle inrichtende machten vertegenwoordigt. In Vlaanderen zijn er drie onderwijsnetten:

  • Het gemeenschapsonderwijs (vroegere rijksonderwijs), met de ARGO (= Algemene Raad van het Gemeenschapsonderwijs), als inrichtende macht, en niet meer de Minister van Onderwijs.
  • Het gesubsidieerd officieel onderwijs, ingericht door de provinciale en gemeentelijke overheden.
  • Het gesubsidieerd vrij onderwijs, ingericht door ofwel privé-personen, ofwel door verenigingen ofwel door VZW's. Veruit de belangrijkste inrichtende macht in Vlaanderen is de koepelorganisatie VSKO (= Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs), in de volksmond "de Guimardstraat" genoemd.

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail