De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

De rituelen van de Compostela-gangers

biddende mannelijke en vrouwelijke pelgrims. Wandtapijt. Neuviller-lès-Saverne (Franse Elzas), St.-Petrus en Pauluskerk
biddende mannelijke en vrouwelijke pelgrims. Wandtapijt, 15de eeuw. Neuviller-lès-Saverne
(Franse Elzas), St.-Petrus en Pauluskerk

In de Middeleeeuwen ging een bedevaart gepaard met bepaalde rituelen vooraf, tijdens en na de tocht. Daarenboven ontwikkelden zich gaandeweg specifieke rituelen voor een pelgrimage naar Santiago de Compostela, onderweg en in het pelgrimsoord zélf. De Compostela-gangers gaven die rituelen aan elkaar door, waarvan sommige zelfs tot op de dag van vandaag!

onderweg

13de eeuwse toren en voorgevel van de St.-Jakobskerk in Doornik
13de eeuwse toren en voorgevel van de St.-Jakobskerk in Doornik

Onderweg bezochten de pelgrims naar Compostela zoveel mogelijk kerken en kapellen, waarvan St.-Jakobus de patroonheilige was. Alléén al op het huidige grondgebied van West-Vlaanderen waren er 5 kerken aan Jakobus toegewijd: in Hoeke, Brugge, Lichtervelde, Gits, Ieper en St.-Jacobskapelle. En in de rest van Vlaanderen waren er nog St.-Jakobskerken in Brussel, Leuven, Sint-Truiden, Eversel (Heusden-Zolder), Maaseik, Borsbeek, Kapellen, Antwerpen, Haasdonk, Kemzeke (Stekene), Koewacht en Gent.

Onderweg zochten de pelgrims naar Compostela onderdak in o.m. St.-Jakobshospitalen. Langs de route vanuit West-Vlaanderen (de "Via Brugensis") waren er op het traject tussen Hoeke en Parijs soortgelijke St.-Jakobshospitalen in Rijsel, Doorik, Douai, Valenciennes, Cambrai, Arras, Amiens, St.-Quentin, Noyon, Compiegne, Senlis en verscheidene in Parijs zélf.

voetreliek in verguld zilver van St.-Jakob. 13de eeuw. Namen, Institut de Soeurs Notre-Dame, schat van de Priorij van Oignies
voetreliek in verguld zilver van St.-Jakob. 13de eeuw. Namen,
Institut Soeurs Notre-Dame, Priorij-schat van Oignies

Tijdens hun lange tocht bezochten de Compostela-pelgrims zoveel mogelijk heiligdommen waar een reliek of beeld van de heilige apostel werd vereerd, omdat die kracht gaven voor de reis en hen tegelijk een aantal aflaten verleenden. In ons land waren er verscheidene kostbare reliekhouders van St.-Jakobus, o.m. een zilveren sarkofaag-reliekhouder in de St.-Jakobskerk van Brugge, Antwerpen en Luik, een 15de eeuws zilveren beeldreliek in de O.L.V.-basiliek van Tongeren en een 13de eeuwse zilveren voetreliek in de priorij van Oignies bij Namen.

beelden van de H. Jakobus uit de 14de en 15de eeuw. Compostela, basiliek, schatkamer
beelden van de H. Jakobus uit de 14de en 15de eeuw. Compostela, basiliek, schatkamer

De pelgrims hadden ook een geloofsbrief bij zich, waarin ze in elk gasthuis, St.-Jakobshospitaal, St.-Jakobsheiligdom, enz. een stempel of handtekening lieten plaatsen. Eenmaal aangekomen in Compostela leverden ze hiermee het bewijs dat ze daadwerkelijk de lange tocht helemaal hadden afgelegd. Ze ontvingen daar, uit de hand van een kanunnik van de kathedraal, de zogeheten "Compostela". Dit officiëel certificaat konden ze bij hun terugkeer thuis tonen of - als het ging om zogeheten strafbedevaarders - voorleggen aan de kerkelijke of burgerlijke autoriteiten.

Op het Spaanse traject (de "Camino Francés"), wanneer Compostela niet ver meer lag, kwamen de lichaamskrachten terug en werd de monotonie van het wandelen doorbroken door enkele plaatsgebonden rituelen:

het ijzeren kruis bij Foncebadón, waar voorbijtrekkende pelgrims een steen neerleggen
het ijzeren kruis bij Foncebadón, waar voorbijtrekkende pelgrims een steen neerleggen

Bovenop een col bij het dorp Foncebadón staat sinds het begin van de 11de eeuw het fameuze ijzeren kruis "Cruz de Ferro". Aan de voet ervan legden de voorbijtrekkende pelgrims traditiegetrouw een steen, die ze van huis hadden meegenomen. Hiermee legden ze symbolisch hun zonden af en vervolgden (letterlijk) verlicht hun weg.

bedevaarders rapen kalkstenen in Tricastela. 12de eeuwse miniatuur. Chantilly, Musée Condé
bedevaarders rapen kalkstenen in Tricastela. 15de eeuwse miniatuur. Chantilly, Musée Condé

Vanaf de 12de eeuw was het de gewoonte dat elke pelgrim, tijdens het afdalen van de Mont Cebreiro in Galicië, een zwaar stuk kalksteen opraapte in de steengroeven van Tricastela en die de hele dag droeg tot in Castañeda. Van die stenen werd daar in ovens cement (gebluste kalk) gemaakt voor de constructie van de kathedraal van Compostela: voor de arme bedevaarders een bescheiden bijdrage aan de bouw van het heiligdom dat hij ging bezoeken. Even buiten Triacastela is nu nog een hoge smalle pyramide van stenen (= cairn), bekroond met een metalen zwaard, versierd met een klein pelgrimsbeeldje, om de herinnering levend te houden aan dit middeleeuws ritueel.

lichamelijke en geestelijke reiniging

het Lavamentula-riviertje waarin de pelgrims zich wasten
het Lavamentula-riviertje waarin de pelgrims zich wasten

In het dorp Lavacolla, enkele kilometers vóór Compostela, gingen de pelgrims zich van kop tot teen wassen in het koude water van het plaatselijk riviertje, "lava mentula" genoemd, om zich zo te ontdoen van het vuil en opgestapelde stof van de reis. Daarna trokken ze verse kleren aan, om lichamelijk gereinigd aan te komen bij de kathedraal.

pelgrims nemen een reinigend bad in een riviertje.
pelgrims nemen een reinigend bad in een riviertje.

Dit bad had niet enkel een hygiënische betekenis. Het was tegelijk een sacrale reiniging, een soort hernieuwd doopsel, een ritueel dat symbool stond voor een geestelijke zuivering, alvorens het bedevaartsoord te betreden. Er waren ook pelgrims die dit ritueel van ultieme zuivering pas uitvoerden in de monumentale fontein op de "Plaza de la Azabachería", het plein vóór het noordportaal van de kathedraal van Compostela.

de Berg der Vreugde

2 moderne bronzen beelden van pelgrims op de Berg der Vreugde
2 moderne bronzen beelden van jubelende pelgrims op de Berg der Vreugde

Bij het dorp San Marcos, net vóó Compostela, liepen de pelgrims tot bovenaan de top van een heuvel, vanwaar ze voor het eerst in de verte de 9 torens van het heiligdom van de apostel Jakobus konden aanschouwen, het doel van een vele maanden durende reis! Dat was een héél emotioneel moment: wenend van vreugde knielden ze neer en dankten God. Niet zonder reden kreeg die heuvel de Latijnse naam "Mons Gaudii", in het Spaans "Monte del Gozo" of in het Frans (afgekort) "montjoie", de "Berg der Vreugde". Wie als eerste van een groep pelgrims boven kwam werd tot "koning" van de bedevaart uitgeroepen. Bovenop de heuvel was in 1104 een H. kruiskerk gebouwd. Nu staat er een modern gedenkteken.

modern gedenkteken voor de pelgrims op de 'Monte del Gozo'
modern gedenkteken voor de pelgrims op de "Monte del Gozo"

Vanaf daar hervonden de pelgrim de geest van boetedoening die ze bij de start hadden. Degenen die met een rijtuig of met een paard hadden gereisd, legden de laatste kilometers die hen scheiden van het einddoel te voet af. Vele bedevaarders ontdeden zich van hun schoeisels en stapten ongeveer een uurtje blootsvoets verder tot de stad.

de aankomst in Compostela

de Plaza de la Azabachería, waar de Vlaamse pelgrims arriveerden
de Plaza de la Azabachería, waar de Vlaamse pelgrims in de Middeleeuwen arriveerden

Voor alle pelgrims vormde de aankomst in de stad van Jakobus het hoogtepunt van de reis. In de Middeleeuwen kwamen de Vlaamse bedevaarders, waarvan de meesten in Spanje de "Camino Francés" hadden bewandeld, Compostela binnen langs de "Puerta del Camino" (de poort van de pelgrimsweg, die nu niet meer bestaat) en bereikten de "Plaza de la Azabachería" (ook "Praza da Immaculada" of "Paradisus" genoemd), het vierkante plein voor het zogeheten Francigena-noordportaal van de kathedraal. In de 17de eeuw werd dat romaanse portaal, ook "Paradijspoort" genoemd, afgebroken en vervangen door een ingang in barokke stijl. Het was op datzelfde plein waar jakobsschelpen, insignes, schoenen, riemen, tassen, geneeskrachtige kruiden en allerlei andere souvenirs te koop werden aangeboden.

het 'Cruz dos Farrapos' waarop de pelgrims hun reisplunje hingen
het "Cruz dos Farrapos" waarop de pelgrims hun reisplunje hingen

Om zich naar lichaam en naar geest te zuiveren, vooraleer het heiligdom binnen te gaan, namen tal van pelgrims een ritueel bad "ter ere van St.-Jacobus" in het water van een prachtige fontein, in het midden van het plein. Die fontein met een zevenhoekige bronzen zuil werd geflankeerd door 4 waterspuwende leeuwen, symbool van de 4 Paradijsstromen. In het bekken rond de fontein konden tot 15 mensen tegelijk baden. Het was een gewoonte dat de pelgrims daarna schone kleren aantrokken en hun doorzwete reisplunje ophingen aan het "Cruz dos Farrapos" (= kruis van de lompen), dat uitsteekt boven het Portaal der Goudsmeden aan de zuidgevel.

bij het binnenkomen

het Portaal van de Verheerlijking
het Portaal van de Verheerlijking, met de verwelkomende St.-Jakob op de middenzuil

Na een slopende reis met maanden van ontbering konden de pelgrims eindelijk binnengaan in de indrukwekkende kathedraal van Compostela, het eindpunt van de tocht. Ze betraden deze sacrale ruimte via het 12de eeuwse "Portaal van de Verheerlijking", de "Portico de la Gloria" met zijn 3 ingangen in schitterend romaans beeldhouwwerk, aan de westelijke voorgevel (nu "Obradorio" genoemd) van de kathedraal. Dit symbolisch geladen moment ging gepaard met enkele rituelen.

een hedendaagse pelgrim voltrekt een eeuwenoud ritueel
de hand van een hedendaagse pelgrim: een eeuwenoud ritueel

De marmeren middenpijler van het middelste portaal - waarboven het beeld van de een mild glimlachende H. Jakobus te zien is - stelt de boom van Jesse (= de stamboom van Jezus) voor. Bij wijze van begroeting legde elke pelgrim een hand, met de 5 vingers flink gespreid, in de holten van die boom van Jesse (die in de loop der eeuwen helemaal is uitgesleten). Ze gaven daarmee een tastbaar teken dat ze het einddoel van de reis hadden bereikt.

3X kopje tik met Meester Mateo
3X kopje tik met Meester Mateo's beeld

Aan de achterkant van diezelfde middenzuil is het beeld te zien van een geknield personage, "Santo dos Croques" (Spaans voor "builenheilige"). Het is hoogst waarschijnlijk een zelfportret van Meester Mateo, de beroemde 12de eeuwse architect en beeldhouwer van dit imponerende ingangsportaal. Het was de gewoonte dat elke pelgrim, tot driemaal toe, met zijn voorhoofd dat van Meester Mateo aanraakte, om zo deelachtig te worden aan de wijsheid en het geheugen van deze vermaarde kunstenaar.

in het heiligdom

Eenmaal de drempel van de basiliek overschreden, betraden de pelgrim in de 1ste plaats de kapel van St.-Nikolaas (vereerd in Bari), de beschermheilige van pelgrims en reizigers, die ze bedankten voor de goede afloop van de pelgrimage. Verder nog de kapellen van St.-Petrus (vereerd in Rome), St.-Martinus (vereerd in Tours), Magdalena (vereerd in Vézelay) en Johannes de Doper. Voorts een altaar toegewijd aan de aartsengel Michael (vereerd op de Mont St.-Michel in Normandië), aanvoerder van de hemelse legerscharen.

pelgrims omarmen het St.-Jakobsbeeld. Miniatuur, 1489. Doornik, Stadsbibliotheek.
pelgrims omarmen het St.-Jakobsbeeld. Miniatuur, 1489. Doornik, Stadsbibliotheek.

Het grote ogenblik voor de pelgrims was uiteraard het neerknielen in het koor van de basiliek vóór het hoofdaltaar. Daarboven stond het beroemde beeld van de zittende H. Jakobus, met een grote vergulde kroon op het hoofd en een wandelstaf in de linkerhand, gemaakt in gepolychromeerde steen uit 1211. Na een gebed gingen de pelgrims één voor één achter het hoofdaltaar en klommen daar op een ladder, later via een trap, tot bij het Jakobusbeeld, dat ze van van achter met beide armen omhelsden. Dat ritueel van de ruggelingse omarming, de "apprehensio Sancti Jacobi", bestaat nog steeds. Tot de 17de eeuw hadden vele bedevaarders de gewoonte - vooral die uit de Duitssprekende gebieden - om de grote kroon van boven het beeld even op hun eigen hoofd te zetten en hun reishoed op dat van de heilige. Met dit gebaar van de zogeheten "coronatio peregrinorum" (Latijn voor 'pelgrimskroning') beeldden ze uit dat de apostel hen kroonde.

pelgrimsprocessie in Compostela. 1707. Parijs, Bibl. Nationale
pelgrimsprocessie in Compostela. 1707. Parijs, Bibl. Nationale

Daarna dwaalden de pelgrims verder rond in het schip, de zijbeuken, de dwarsbeuk, de vele kapellen en de wandelgang rond het hoofdaltaar (= deambulatorium) van de kathedraal. Vooral op feestdagen ontstond soms een gedrang, dat wel eens tot ongevallen (vertrappeling en verstikking) en... vechtpartijen leidde, waarbij gekwetsten en zelfs doden vielen. In 1207 vroeg de aartsbisschop van Compostela in een brief aan de paus welke religieuze regels hij best zou toepassen wanneer zijn kathedraal door bloedvergieten werd ontheiligd! Om alles in goede banen te leiden organiseerde men daarom in de kathedraal "processies" - religieus getinte files - om de aanschuivende rij pelgrims te leiden bij de rondgang van het koor. De pelgrims werden zoveel mogelijk gegroepeerd per nationaliteit.

biddende bedevaarders bij St.-Jakobus' graf
biddende bedevaarders bij St.-Jakobus' graf

Vooral in de kooromgang (waaronder zich het graf van de H. Jakobus bevond) was het vaak een drukte van je welste: elke pelgrim wilde zo snel en zo dicht mogelijk in de buurt te komen van "het heilige der heiligen", het graf met de stoffelijke resten van St.-Jakobus. De devotie van de pelgrims bereikte dan ook haar hoogtepunt toen ze afdaalden in het duister van de crypte onder het hoofdaltaar, om daar de graftombe van de H. Jacobus en van zijn 2 leerlingen Theodorus en Athanasius aan te raken, te kussen en erbij te bidden.

de nachtwake

bedevaarders tijdens gebedswake in Compostela. 1707. Parijs, Bibl. Nationale
bedevaarders tijdens gebedswake in Compostela. 1707. Parijs, Bibl. Nationale

Zoals in vele bedevaartsplaatsen tijdens de Middeleeuwen bleef de kathedraal in Compostela dag en nacht open, om avondlijke en zelfs nachtelijke gebedswakes ("incubatio") mogelijk te maken. De pelgrims brachten inderdaad de nacht na hun aankomst meestal door in de basiliek om er te waken bij het graf van de apostel of gewoon om er te slapen, in de hoop dat de heilige hen zou verschijnen in een droom en hen eventueel zou genezen. Zo'n nachtwakes gingen gepaard met heel wat gedruis, gezangen, gebeden, geklaag, geween en geroep: een ware kakafonie van talen die de gebedssfeer ongetwijfeld niet ten goede kwam.

Het gebed van de Compostela-gangers was vaak heel eenvoudig, namelijk het onvermoeibaar herhaald aanroepen, als een mantra, van de naam van de heilige. Tijdens het gebed konden ze 3 houdingen aannemen: het lichaam helemaal op de grond, rechtstaand met uitgestrekte armen (orant-houding), of geknield met de handen in gebed gevouwen. In de 12de en 13de eeuw kwam het gebruik op van de noveen, 9 opeenvolgende dagen of nachten van gebed in de kathedraal, soms gepaard gaande met boete-oefeningen, zoals vasten of dragen van een boeteriem. Sommigen ontdeden zich van hun kleren, geselden zich of lieten zich geselen door een monnik of priester.

offergaven en ex-voto's

een collectie wassen ex-voto's. Waldenbuch, Landesmuseum Württemberg
een collectie wassen ex-voto's. Waldenbuch, Landesmuseum Württemberg

's Morgens, wanneer de klokken luidden voor de eerste mis, begaven de pelgrims zich naar de "arca de la obra" (Spaans voor: 'koffer van het werk') waarin, na de aflezing van de aflaten, op uitnodiging van een priester, hun offergaven legden. Het schenken van een offergave was voor de middeleeuwse bedevaarders erg belangrijk. De verering van de reliek van St.-Jakob in Compostela was niet voldoende om in contact te komen met de heilige en zijn tussenkomst te verkrijgen. Ze vonden dat ze iets in ruil moesten geven voor datgene wat ze vooraf hadden gevraagd of beloofd, als hun gebed zou worden verhoord. Als vervulling van een gedane belofte en/of als dank voor een verkregen gunst lieten ze daarom in het bedevaartsoord een tastbaar voorwerp achter, een zogeheten "ex-voto" (Latijn voor: 'krachtens een gelofte'), ook wel beloftegift, wijgeschenk of votiefgeschenk genoemd. Dat hadden ze van thuis of van onderweg meegebracht of ter plaatse gekocht bij een van de vele kramen op het plein voor de kathedraal.

votiefgeschenken voor genezing van ziekten m.b.t. het hoofd. Dietenheim, Volkskundemuseum
metalen votiefgeschenken voor genezing van ziekten m.b.t. het hoofd.
(Dietenheim, Volkskundemuseum)

Zo'n ex-voto's waren meestal symbolisch en gepersonaliseerd, d.w.z. dat ze rechtstreeks verwezen naar de aard van de verkregen gunst. Een kreupele bijv. offerde zijn nutteloos geworden krukken, een ex-gevangene liet de ijzeren boeien achter waarvan hij was bevrijd, een schippersgilde schonk een scheepsmodel, zegevierende soldaten offeren (een deel van) de oorlogsbuit, enz. Erg in trek waren de zogeheten morfologische wassen ex-voto's, die de (miniatuur)vorm hadden van het lichaamsdeel waarvoor genezing werd gevraagd of verkregen. Een vrouw bijv. die zwanger werd na een lange periode van onvruchtbaarheid, gaf een wassen of gipsen afbeelding van een kindje. Arme pelgrims moesten zich beperken tot een bescheiden offergave, zoals landbouw of veeteeltproducten: eieren, graan, rogge, vlas, wijn, een dier e.d. Velen schonken gewoon een kaars, die soms dezelfde lengte had als die van hun lichaam.

scheepsmodel als ex-voto na schipbreuk
boot-maquette geschonken als ex-voto na redding van scheepsramp

Al die geschenken sierden de wanden van de kerk. Een deel van de wassen ex-voto's en kaarsen echter werd nadien gerycleerd tot kaarsen voor de verlichting van het heiligdom in de winterperiode, wanneer er weinig pelgrims opdaagden. De rijken en kerkelijke hoogwaarddigheidsbekleders gaven een "oblatio" (Latijn voor: 'wijgeschenk'), een voorwerp in goud of zilver, zoals een kandelaar, een reliekhouder, een godslamp, een luster, een juweel, een beeld, e.d. die in de loop der eeuwen het rijke artistieke patrimonium van het heiligdom vormden.

het wierooksvat-ritueel

In de Middeleeuwen werd - tijdens belangrijke misvieringen en in de H. Jaren in elke mis om 12u - in de dwarsbeuk van de kathedraal een groot zilveren wierooksvat heen en weer gezwaaid zoals de slinger van een klok, door 8 "tiraboleiros", uitgedosd in rode kleren. Dat wierooksvat, de fameuze "Botafumeiro", met enorm lange en dikke koorden vastgehecht in de kruiskoepel, kon een topsnelheid van 68 km per uur en een hoogte van 21 meter halen! Nu is dit ongewone schouwspel een beroemde toeristische attractie geworden. Maar in de Middeleeuwen (in 1322 werd er voor het eerst melding van gemaakt) had het een zéér praktisch nut, nl. de kwalijke lichaamsgeuren van de verzamelde ongewassen pelgrims verdrijven... Het huidig (ingenieus en goed berekend) mechanisme dateert van 1602. De huidige Botafumeiro, in 1851 gemaakt door de goudsmid José Losada, weegt 54 kg, is gevuld met 40 kg houtskool en wierookkorrels en is met zijn hoogte van 1,60 m het grootste van de wereld.

het bedevaarts-certificaat

voorbeeld van een laat-middeleeuwse Compostela
voorbeeld van een laat-middeleeuwse Compostela

De middeleeuwse pelgrims besteedden meestal de dag na hun aankomst aan het ontvangen van de sacramenten. Eerst deden ze hun gewetensonderzoek en spraken hun biecht, om daarna - gezuiverd van zonden - de mis bij te wonen en de communie te ontvangen, waardoor ze in de gemeenschap van de gelovigen werden opgenomen. In de basiliek konden de pelgrims voor hun biecht meestal terecht bij een priester, die hun taal sprak. Hoewel, biechten in het Vlaams bij een Spaanse biechtvader had ook zo zijn voordelen...

stempels, onderweg verzameld door een hedendaagse pelgrim in het jaar 2000
stempels, onderweg verzameld door een hedendaagse pelgrim in het jaar 2000

Na de mis gingen de bedevaarders naar de 11de eeuwse romaanse "Kapel van de Zaligmaker", in de Middeleeuwen ook "Kapel van Frankrijk genoemd", de middelste kranskapel achter het hoofdaltaar. Daar ontvingen ze uit de handen van een kanunnik de "Compostela", een officiëel op naam gesteld en gedateerd certificaat met stempel dat men daadwerkelijk en persoonlijk in Compostela was geweest, en dat bij de terugkomst thuis kon worden voorgelegd als bewijsstuk. Voor de zogeheten strafbedevaarders, die door een kerkelijke of burgerlijke rechtbank als straf naar Compostela waren gestuurd, gold die brief als bewijs, dat zij aan hun verplichtingen hadden voldaan.

een Compostela, uitgereikt aan Zwitserse pelgrim in 1608
een Compostela, uitgereikt aan Zwitserse pelgrim in 1608

De "Compostela" was een met de hand geschreven document met zegel van de kardinaal-priester, en sinds de 16de eeuw in gedrukte vorm. Het bezit van die bewijsbrief bood bijkomende voordelen: vooreerst een gedeeltelijke aflaat (zelfs een volle aflaat tijdens een H. Jakobusjaar) én vervolgens een gemakkelijker toegang tot de faciliteiten (in gasthuizen, refuges, hospitalen, hospices, kloosters enz.) voor onderdak en eten, tijdens de lange terugweg. Eenmaal thuis konden de pelgrims, met die bewijsbrief in de hand, opgenomen worden in een Jakobus-broederschap, als die tenminste in hun eigen omgeving bestond.

logies in de stad

slaapkamer in een middeleeuwse herberg
slaapkamer in een middeleeuwse herberg

De eerste praktische zorg van de pelgrims was het vinden van een onderkomen tijdens hun bezoek aan Compostela. Er waren daar herbergen voor pelgrims uit alle landen, o.m. een Vlaamse herberg "De Zwarte Duif" ("Paloma negra"), met een waardin, dienstmeiden, dranken en gerechten "uit de Vlaanders". In die herbergen werd, na het afwikkelen van het officiële gedeelte, het welslagen van de bedevaart uitbundig gevierd. Op het plein ("Plaza del Obradorio") aan de westgevel van de kathedraal, lieten koning Ferdinand van Aragon en zijn gemalin Isabella van Castilië in 1486 een schitterend hospitaal "Hostal de los Reyes Catolicos") oprichten voor de opvang van pelgrims van elke rang en stand.

reconstructie van een middeleeuwse taveerne
reconstructie van een middeleeuwse taveerne

Het verblijf was meestal van korte duur, 3 à 4 dagen, want de grote toeloop joeg de prijzen voor overnachting de hoogte in. Een uitzondering vormden de Vlaamse strafbedevaarders, die als straf van de rechtbank één jaar of meer verplichte residentie (= verbanning) in Compostela waren opgelegd. Rond 1500 was er een kleine kolonie van zo'n Vlaamse ballingen in de stad. Om hun logies en eten in een van de herbergen te kunnen betalen mochten ze ter plaatse een ambacht uitoefenen.

souvenirs

devotieprentje met de H. Jakobus
devotieprentje met St.-Jakobus
devotieprentje met de H. Jakobus
devotieprentje met de H. Jakobus

Op het plein voor het noordportaal van de kathedraal kochten de pelgrims souvenirs bij de "concheros" (handelaars met een exclusieve vergunning), zoals de beroemde St.-Jakobsschelpen of ook metalen insignes (= pelgrimstekens) in schelpvorm of met de beeltenis van St.-Jakob, die ze vasthechtten aan hun kleren of vooraan hun hoed. Bovendien werden daar lederwaren verkocht zoals wijnzakken, calebassen, schoenen, knapzakken en andere tassen, leren veters, riemen, enz. Erg in trek waren ook de "azabaches" (Spaans woord voor: beeldjes en sieraden vervaardigd uit de zwarte delfstof git). Er stonden ook geldwisselaars en kooplui in geneeskrachtige kruiden in het voorhof bij het noordportaal.

de Relieken-Kapel in de kathedraal
de Relieken-Kapel in de kathedraal

De pelgrims brachten, uit diepe vroomheid of uit pure (toerische) nieuwsgierigheid, hun tijd door met het bezichtigen van de vele bezienswaardigheden in de kathedraal en haar vele zijkapellen. In de "Kapel van de Relieken" ("Capilla de las Reliquias") konden ze een indrukwekkende verzameling reliekhouders vereren van de heiligen en martelaren Suzanna, Barbara, Sylvester, Lucia, Benedictus, Dominicus, Antonius, Johannes de Doper, enz. Zelfs de schedel van de apostel Jakobus de Mindere, een stukje hout van het H. Kruis, een doorn van de doornenkroon en een tand van de H. Paulus waren er te zien.

En net zoals de hedendaagse pelgrims of toeristen bezochten de middeleeuwse bedevaarders kerken, gebouwen en bezienswaardigheden in de rest van de stad. Volgens de beroemde 12de-eeuwse "Pelgrimsgids", toegeschreven aan Aimery Picaud, waren er in die tijd, naast de St.-Jakobuskathedraal, nog 9 andere kerken in Santiago, zoals de St.-Michaelkerk, de H. Drievuldigheidskerk (waar een kerkhof voor pelgrims was), de H. Suzannakerk, de St.-Felixkerk en de St.-Benedictuskerk. Blikvangers waren vooral de kerken van 4 kloosters:

    het klooster van San Pelayo de Antealtares
    de imposante gevel van het San Pelayo de Antealtares klooster

  • het aloude 9de-eeuwse St.-Pelagiusklooster (Convento de San Pelayo de Antealtares) aan de oostgevel van de kathedraal, waarin de relieken van de H. Jacobus werden bewaard tot de bouw van de romaanse kathedraal was voltooid. Het klooster onderging grondige wijzigingen in de 12de eeuw (in vroeg-gotische stijl) en vooral in 16de eeuw (in renaissance-stijl).
  • de 11de eeuwse benediktijnerabdij St.-Martinus (Monasterio de San Martín Pinario), die in de 17de en 18de eeuw helemaal werd herbouwd in barokke stijl.
  • de St.-Petrusabdij, naast de Franse pelgrimsweg in de stad.
  • het H. Mariaklooster (Santa María del Sar, nu Santa María del Camino).

Kaap Finisterre

Kaap Finisterre, voor de middeleeuwse pelgrim het einde van de wereld
Kaap Finisterre, voor de middeleeuwse Compostela-pelgrims het einde van de wereld

Voor zeer veel middeleeuwse pelgrims hield de bedevaart niet op in Compostela. Na de verering van het graf van St.-Jakob konden ze er niet genoeg van krijgen. Ze zetten onvermoeibaar hun tocht verder, 90 km westwaarts, tot aan de "Kaap Finisterre" (in het Galicisch: Cabo Fisterra"), een 600 meter hoge granietheuvel op het uiterste punt van een landtong bij het huidige Galicische kustplaatsje Fisterra, aan de Atlantische Oceaan. Volgens de overlevering kreeg de kaap de naam "Finis Terrae" (Latijn voor 'einde van de aarde', oftewel 'de plek waar de wereld ophoudt') toebedeeld door de Romeinen, die dachten dat de wereld reikte tot dit meest westelijk gelegen punt van het Europese vasteland en niet verder.

de vuurtoren op de Kaap Finisterre met links de eindwegwijzer van de Camino
de vuurtoren op de Kaap Finisterre met links de eindwegwijzer "AMEN" van de Camino

Op het strand verbrandden de pelgrims hun kleren of wierpen ze in zee. Dit gebaar stond symbool van het afwerpen van "de oude mens", het zich zuiveren naar lichaam en geest en als "een nieuwe mens" een verse start in het leven beginnen. Op datzelfde strand zochten de pelgrims naar een of meer exemplaren van de felbegeerde Jakobsschelp.

de romaanse kerk van 'Onse Vrauwe ter Veinstersterre'
de romaanse kerk van "Onse Vrauwe ter Veinstersterre"

Langs de weg die leidt naar de huidige vuurtoren brachten ze een bezoek aan de 12de eeuwse romaanse kerk Santa Maria das Areas. In de Middeleeuwen droeg deze in Vlaanderen de naam "Onse Vrauwe ter Veinstersterre", vaak een bestemming voor strafbedevaarders.

Padron

de Ulla-rivier in Padron, waar het bootje met Jakobus' lichaam tot stilstand kwam
de Ulla-rivier in Padron, waar het bootje met Jakobus' lichaam tot stilstand kwam

Tal van pelgrims trokken ook naar het aloude stadje Iria Flavia, het huidige stadje Padron, 20 km ten zuidwesten van Compostela. Het was vanaf de 6de eeuw de hoofdplaats van Galicië met een eigen bisschop, maar in de 11de eeuw zal de bisschopszetel echter worden verplaatst naar Santiago de Compostela. Het was daar, even stroomopwaarts van de monding van de Rio Ulla, dat, volgens de legende, het stenen bootje met het stoffelijk overschot van de in Jeruzalem onthoofde H. Jakobus vastliep op een rotssteen (in het Spaans: "pedron", vanwaar de actuele plaatsnaam Padron is afgeleid). Wanneer zijn 2 leerlingen Theodorus en Athanasius het lichaam en het hoofd op de steen neerlegden, smolt die op mirakuleuze wijze als was en nam de vorm aan van het lijk. Onder het hoofdaltaar van de plaatselijke kerk Santiago de Padron wordt nog die originele steen bewaard.

de steen waartegen, volgens de legende, het bootje met Jakobus strandde
de steen waarbij, volgens de legende, het bootje met Jakobus strandde

In Padron gingen de bedevaarders de plaats bezoeken, bij de samenvloeiing van de Ulla en de Sar, waar de apostel Jakobus, volgens de overlevering, tijdens zijn leven aan land ging. Op die plek, bij de oever van de Sar, prijkt nu een beeldhouwwerk met 2 pelgrims biddend bij een boot. De pelgrims beklommen er een nabijgelegen granietrots, de zogeheten St.-Jakobusberg ("Monte Santiaguino"), om bovenaan op de plek te gaan staan waar de apostel, volgens de overlevering, voor het eerst zou hebben gepredikt tijdens zijn verblijf in Spanje, overigens met weinig succes, want slechts 2 toehoorders bekeerden zich!

de Monte Santiaguino, waarop Jakobus voor het eerst predikte
de Monte Santiaguino, waarop de H. Jakobus voor het eerst predikte

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail