De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Uitzicht van het gasthuis - de gebouwen

het grondplan de gebouwen de tuin het interieur

schilderij van G. Van Poucke (1969)
"Gasthuis Ten Bunderen" (Gerard Van Poucke, 1969)

Op dit doek van 1969 schilderde Gerard Van Poucke een afbeelding van het laatmiddeleeuwse "Gasthuis ten Bunderen", aan de hand van de beschrijving ervan in het "Jaer-Boek" van priorin Agnes de Wilde (1781). Maar hoe zag het gasthuisdomein, met zijn klooster, gasthuis, kapel, huis voor de kapelaan en boerderij er in werkelijkheid uit? Wat was de bouwvorm en de interne inrichting van de diverse gebouwen? Dat is moeilijk te zeggen omdat er in onze streken haast geen enkel voorbeeld bewaard is gebleven. De kleine gasthuizen op het platteland waren niet bestand tegen de tand des tijds, om diverse redenen.

  • De gebouwen waren opgetrokken met overwegend brandbare materialen zoals hout, klei, leem en stro. Ze vielen dus gemakkelijk ten prooi aan vlammen of blikseminslag.
  • Een groot aantal verdween door militaire conflicten, m.n. tijdens de godsdienstoorlogen in de 16de en 17de eeuw.
  • Vele andere werden gesloten of kregen een andere bestemming tijdens de Oostenrijkse Tijd en tijdens de Franse Revolutie in de 18de eeuw.
  • Afhankelijk van nieuwe noden, behoeften en medische vorderingen werden middeleeuwse gebouwen in latere tijden afgebroken en vervangen.

De gasthuiskapel van Fontenay-le-Fleury (Fr.)
De St.-Jean gasthuiskapel van Fontenay-le-Fleury (Fr.)

Om een reconstructie te maken van een "doorsnee"-gasthuis, ook dat van ten Bunderen, zijn we aangewezen op schaarse visuele en schriftelijke bronnen, zoals

  • (laat-)middeleeuwse miniaturen, etsen en schilderijen met afbeeldingen van gasthuizen. Ook die van hofsteden en landelijke woningen komen in aanmerking omdat ze qua bouwstijl en interieur amper verschilden van de kleine gasthuizen.
  • oude kaarten en plattegronden (vanaf de 16de eeuw).
  • archeologische opgravingen.
  • overgebleven inventarissen van roerende en onroerende bezittingen van gasthuizen, samengesteld n.a.v. een verhuizing, een kerkelijke visitatie e.d.

Een middeleeuws gasthuis op het platteland, ook dat van Ten Bunderen in Moorslede, zag er ongeveer uit als een grote herenboerderij van die tijd. Bij het binnengaan langs de ingangspoort kwam men op een grote binnenkoer, omringd door boerderijgebouwen en -bijgebouwen. Dat men niet op een gewone hoeve was kon men enkel merken aan de religieuze kledij van de zusters en aan de architecturale vorm van de kapel. Hoe was de schikking en materiële inrichting van de gebouwen in het domein? Volgens de latere 18de-eeuwse beschrijving ervan in de kloosterkroniek "Jaer-Boek" werd het middeleeuwse Gasthuis Ten Bunderen omgeving door brede grachten (wallen) en omvatte een woonhuis voor de zusters, een opvanghuis voor pelgrims, een woonhuis voor de kapelaan, een kapel en een boerderij met tal van bijgebouwen.

Het woonhuis van de zusters

middeleeuws huis (reconstructie in het Openluchtmuseum in Bokrijk)
Middeleeuws woonhuis (reconstructie in het Openluchtmuseum van Bokrijk)

De bouwconstructie was eenvoudig. De rechthoekige woning stond op stenen funderingen met 4 rechtopstaande houten hoekpalen in de grond gegraven. De wanden waren beslagen met planken of gevlochten met takken en daarna dichtgesmeerd met klei of leem. Hier en daar in de muren was een lichtopening met houten luiken ervoor om de kou buiten te houden. Het dak was bedekt met riet of stro. Omwille van het steeds aanwezige brandgevaar werden in de late Middeleeuwen steeds meer woningen geheel of gedeeltelijk in (bak)steen opgetrokken. Op de daken lagen er voortaan leistenen of pannen, in plaats van stro of riet. De kloosterkroniek zegt niets over het interieur. Maar aan de hand van afbeeldingen van andere gasthuizen uit die tijd kan men volgende componenten onderscheiden:

  • Een centrale plaats werd ingenomen door de leefruimte, die tegelijk dienst deed als keuken en als eetplaats. Bij de open haard bevond zich het materiaal om de gerechten voor zowel de bewoners als voor de gasten te bereiden. In het midden van het vertrek stond een lange eettafel op 2 schragen.
  • In de aanpalende naaikamer herstelden de zusters het linnen en de kleren en verrichtten er allerlei vormen van handwerk zoals spinnen, weven en breien.
  • Daarnaast was er de linnenkamer met ladenkasten en kisten voor het opbergen van het lijnwaad (handdoeken, zakdoeken, kussens, tafellakens, gordijnen, enz.) en het beddegoed (lakens, kussenslopen) voor zowel de zusters als de gasten.
  • Op de zolderverdieping was een "dormter" (afgeleid van het Latijnse woord "dormitorium", dat gemeenschappelijke slaapvertrek betekent). Behalve het nodig aantal matrassen met beddengoed zoals lakens, slopen en dekens (de zusters sliepen op de grond, niet in een bed!) stonden daar wellicht ook grote houten koffers om de kledij in op te bergen.
  • In de kelder bewaarde men vooral drankvoorraden (bier en wijn) in tonnen en gepekeld vlees in kuipen.

het gastenverblijf

Het gebouw voor het logies van de passanten bestond uit minstens 2 delen:

  • de ontvangstruimte, waarin de gasten zich konden verfrissen, opwarmen en eten. Zoals in de leefkamer van de zusters was er ook hier een open haard met tang en vuurijzers, waarin hout werd verbrand om zich op te warmen en om water te koken in een koperen ketel. In het midden stond een rechthoekige houten tafel (eventueel op schragen) met aan weerszijden een zitbank, ofwel een ronde houten tafel met stoelen. Voorts waren er tegen de wanden nog bijkomende stoelen (drievoeten) en banken.

    In kasten of rekken aan de muur lag het nodige tafelgerei, waarmee de zusters het eten en drinken opdienden: houten kommen, schotels, schalen, borden, drankbekkens, schenkkannen en opscheplepels. Ook was er een voorraad eetgerei voorhanden: kroezen (drinkbekers) en bestekken (lepels en messen, later ook vorken) in hout, tin of aardewerk. Een aantal gebruiksvoorwerpen maakte het interieur volledig zoals een wasteil en een scheerbekken met handdoeken.

  • de slaapruimte in gasthuizen was vaak ingericht in 2 aparte vertrekken: één voor mannen en één voor vrouwen. Of dat ook het geval was in Ten Bunderen is nergens te achterhalen. Wél lezen we in kloosterkroniek dat er 2 (later 4) grote opgemaakte houten bedden waren. Deze bestonden vermoedelijk uit een strozak, peluw (langwerpig onderkussen), kussen(s), dekens en lakens. De passanten konden gebruik maken van een koffer, waarin ze hun pelgrimskleren en bezittingen konden leggen. De slaapkamer was verlicht door een kandelaar met waskaars of door een olielamp. In vele gasthuizen werd er op koude dagen een komfoor geplaatst, dat was een ijzeren mini-kacheltje met gloeiende houtskolen gestookt om de ruimte wat warm te maken. Een toilet was er allicht niet. De gasten moesten het stellen met een tinnen nachtpot.

de kapel

reconstructie van een middeleeuwse Vlaamse kapel
Reconstructie van een middeleeuwse kapel in Vlaanderen (J. Mertens)

Zeker vanaf 1330 (blijkens een register van de kerkelijke eigendomen en inkomsten in het bisdom Doornik, uit 1331) had het Gasthuis ten Bunderen een eigen kapel ("capella"), maar het is niet bekend of er bovenop een torentje met klokje stond. Tijdens de Beeldenstorm in 1566 werd het bedehuis verwoest en nooit meer heropbouwd.

voorbeeld van een romaanse stenen kapel in Chièvres
Voorbeeld van een romaanse stenen kapel in Chièvres

Voor zo'n kleine plattelandskapel werd in die tijd de voorkeur gegeven aan een met hout of met stro afgedekte eenvoudige rechthoekige zaalruimte, met zadeldak erboven. Aan de oostzijde was het priesterkoor, afgesloten met een rechte muur of halfronde absis. Aan de westzijde of in een zijmuur bevond zich een boogvormige ingang. Zoals algemeen voor kerken en kapellen in romaanse stijl waren de muren dik, met slechts enkele kleine boogvomige ramen in de zijmuren en in het koor.

grondplan van een middeleeuwse Vlaamse kapel
Grondplan van een middeleeuwse Vlaamse kloosterkapel

In de kapel bevonden zich een altaar met houten tabernakel, een lessenaar, een communiebank en afzonderlijke bidstoelen, kniel- en zitbanken voor het persoonlijke of gemeenschappelijke koorgebed van de zusters. Er waren enkele ornamenten (kazuifel, koorkap, dalmatiek, misgewaden) voor de kapelaan plus boeken (missaal, psalters, getijdenboeken, graduales, antifonaria) en enkele waardevolle voorwerpen (kelk, pateen, ciborie, monstrans, wijwatervat, ampullen, wierooksvat, wierookscheepje, reliekhouders, processiekruis, godslamp e.d.) voor de liturgische diensten. De versiering van de ruimte bleef allicht beperkt tot geborduurde altaardwalen, een retabel, een antependium, een schilderij, een gebrandschilderd raam, een kaarsenluchter, enkele koperen kandelaars, houten en/of stenen beelden, vazen met bloemen...

De 12de-eeuwse gasthuiskapel van Poissy (Fr.)
De 12de-eeuwse gasthuiskapel van Poissy (Fr.)

Er zijn in Frankrijk enkele fraaie voorbeelden bewaard gebleven van gasthuiskapellen, o.m. die van Poissy en Fontenay-le-Fleury. Beide zijn architectonisch zeer eenvoudig en sober. Aan de buitenkant is geen versiersel te bekennen, slechts een paar steunberen om de zware muren te stutten, 2 ramen aan de zijkanten en een deur aan de voorzijde. Binnenin rust rust het gewelf op zuiltjes met kapitelen en nog resten van schilderwerk.

de kapelanij

middeleeuws woonhuis
Een middeleeuws woonhuis

Ook al vóór 1330 stond er bij de kapel van Ten Bunderen een kapelanie, een bescheiden huisje voor de kapelaan. De uiterlijke vormgeving en het interieur kwamen helemaal overeen met de woningen van die tijd.

de bijgebouwen

erf van een boerderij  (Openluchtmuseum in Bokrijk)
Het erf van een boerderij (Openluchtmuseum in Bokrijk)

Zoals bij elk huis, was er bij het kloostergebouw van de zusters een klein erf met een mesthoop in het midden. Op het erf bevond zich een ton voor het opvangen van het regenwater en vaak een waterput, gemaakt van een uitgeholde stam van een dikke eikenboom, geplaatst in een diepe kuil. De binnenkoer was omringd door een aantal bijgebouwen, zoals we die op elke grote hofstede terugvinden.

  • behuizing voor het vast dienstpersoneel (leken en mogelijk proveniers);
  • stallen voor paarden, koeien, ossen, schapen, geiten en varkens;

    voorraadschuur (Openluchtmuseum in Bokrijk)
    Een voorraadschuur (Openluchtmuseum in Bokrijk)

  • schuren waarin de voorraden van de oogsten worden gestapeld: tarwe, rogge, haver, gerst, hooi, mout, hoppe, mout, erwten, noten (waaruit olie wordt geperst), enz. Van deze provisies moesten de de bewoners, de gasten en de dieren het jaar rond leven;
  • een loods voor brandhout;
  • een hoenderhof met kippen, eenden en ganzen;
  • een duiventil;

    Prachtig gebinte van een middeleeuwe schuur in Lacock (UK)
    Prachtig gebinte van een middeleeuwe schuur in Lacock (UK)

  • een washuis;
  • mogelijk een bakhuis, met daarin een oven, een deegtrog, een deegschop, een rosmolen, handmolen;
  • mogelijk een eigen bierbrouwerij. In het brouwhuis bevond zich alle mogelijke gereedschap om bier te brouwen: een brouwketel, een koelvat, een kuip voor het uitgeloogde mout, een gistkuip, biervaten, tonnen, een bierwagen, stookgereedschap, enz.;

    stal en wagenkot (Openluchtmuseum in Bokrijk)
    Stal en wagenhuis (Openluchtmuseum in Bokrijk)

  • een wagenhuis of groot afdak voor de landbouwvoertuigen, -werktuigen en -gereedschap, zoals kruiwagens, karren met 2 of 4 wielen, ploegen, hooi- en mestvorken, pikhouwelen, hakken (houwen), snoeimessen, e.d.;
  • werkplaatsen voor ambachteijk werk zoals schrijnwerkerij (met schaafbank en schaven, bijl), leerlooien, schoenen maken, honing uit de bijenkorven verwerken.

Inwijding door de bisschop van een kerkhof. Miniatuur, 1450
Inwijding door de bisschop van een kerkhof. Miniatuur, Pontificale van Sint-Marie, ca. 1450.

Het is niet duidelijk of de zusters van ten Bunderen beschikten over een eigen kerkhof om overleden medezusters en gasten een laatste rustplaats te geven. Het feit dat ze van de bisschop van Doornik een eigen kapel kregen, met een eigen kapelaan daaraan verbonden, is nog geen bewijs dat ze ook een een begraafplaats hadden, want daarvoor was een bijkomende toestemming vereist van de bisschop, na overleg met de deken en met de pastoor. Indien niet dan werd het stoffelijk overschot van de afgestorvene, na de uitvaartmis, op een kar, vervoerd naar het kerkhof bij de verderweg gelegen parochiekerk van Moorslede.

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail