De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Het historisch kader

politiek-economisch kerkelijk religieus

de kerkelijke hiërarchie
de kerkelijke hiërarchie

het verval in de Kerk

Tijdens de Middeleeuwen zat de Kerk helemaal in de greep van het feodaal stelsel. De clerus vormde een bevoorrechte stand met allerlei privilegies. Dat leidde fataal tot wijdverspreide corruptie en tot misbruiken bij de kerkelijke hiërarchie.
  • De bischoppen waren vazallen van de wereldlijke macht. De vorst mengde zich in de benoemingen en liet daarbij zijn persoonlijke voorkeuren gelden in plaats van de religieuze aanleg en competentie van de kandidaten. Zo werden ook onwaardige geestelijken tot bisschop benoemd. Tal van prelaten bekommerden zich nauwelijks om de zielzorg, maar gedroegen zich als heuse edelen: ze richtten toernooien in en trokken zelfs ten oorlog. Hun zucht naar geld en wereldlijke macht was een rampzalig voorbeeld voor geestelijken en leken.

    Miniatuur (1431) met geestelijken in een amoureuze situatie, uit de erotische verhalenbundel Decamerone van G. Boccaccio (Parijs, BNF)
    Miniatuur (1431) met geestelijken in een amoureuze situatie, uit de erotische verhalenbundel
    "Decamerone" van G. Boccaccio (Parijs, BNF)

  • Plaatselijke machthebbers kozen zélf een pastoor of kapelaan voor een kerk of kapel, die ze binnen hun eigen heerlijkheid hadden opgericht. Geen wonder dat veel van die landelijke geestelijken, door een gemis aan enige opleiding, totaal incompetent en onwetend waren, onder elkaar kibbelden over hun voorrechten en zich weinig of niet bekommerden om hun parochianen. Sommigen gaven publiekelijk aanstoot door een hang naar luxe, gemakzucht, door openlijk samen te wonen met een concubine of door een losbandig leven. Het gebeurde meermaals dat heerszuchtige geestelijken en zelfs leken voor hoge sommen een kerkelijke waardigheid kochten (= simonie) van de vorst, en dan op hun beurt geld eisten voor het toedienen van de sacramenten.

    de romaanse kloostergang van de abdij van Senanque
    de romaanse kloostergang van de abdij van Senanque (Fr.)

  • Op vele plaatsen leden kloosters onder de bemoeienissen van de plaatselijke landheren. In sommige abdijen begonnen de monniken rijker te leven en de kloosterregel te verwaarlozen. Dat leidde tot allerlei wantoestanden: vrouwenkloosters deden soms dienst als opvangcentra voor ongewenste, zwakzinnige of gehandicapte dochters uit adellijke families.

  • Al deze corrupte situaties hadden vanzelfsprekend hun negatieve weerslag op de grote massa. Veel gelovigen waren niet eens op de hoogte van de meest belangrijke waarheden van het christendom, kenden amper een paar gebeden, vereerden met buitensporige ijver de relieken van heiligen, en cultiveerden zelfs resten van oud bijgeloof.

    Paus Gregorius XI ontvangt St.-Catharina in zijn ballingsoord Avignon (Giovanni di Paolo, ca. 1460. Madrid, Mus. Thyssen-Bornemisza)
    Gregorius XI ontvangt St.-Catharina in Avignon (G. di Paolo, 1460. Madrid, Thyssen-Bornemisza)

  • Tot overmaat van ramp was het pausdom, dat tegen al deze misbruiken zou moeten optreden, zélf door verval aangetast. De kardinalen kozen wel een nieuwe paus, maar de vorsten oefenden van buiten af invloed uit. Door de afscheuring van het Oosters Christendom (Orthodoxen), door de aanhoudende (investituur)strijd met de keizer voor de hoogste macht, door het verblijf in Avignon, door de noodlottige afloop van de kruistochten én door het harde optreden van de Inquisitie tegen ketters (zoals de Katharen) die het vaak goed meenden, verloren de opeenvolgende pausen veel van hun aanzien in de Kerk.

semi-religieuze lekengemeenschappen

Een kreupele krijgt te eten, een werk van barmhartigheid. S. Cagnola. Fresco, 1514. Paruzzaro, San Marcellokerk.
Een kreupele te eten geven: een werk van christelijke naastenliefde. S. Cagnola. Fresco, 1514.
(Paruzzaro, San Marcellokerk).

Uit reactie tegen de heersende decadentie in de Kerk groeide er, vooral vanaf de 12de eeuw, in héél westelijk Europa een krachtige geestelijke tegenbeweging. Aan de basis en zelfs aan de rand van de Kerk ontsproot spontaan een brede waaier van semi-religieuze bewegingen. Het ging om godvruchtige mannen en vrouwen die een alternatieve kloostercultuur uitbouwden waarin gebed, spiritualiteit én tegelijk een radicale christelijke naastenliefde ("caritas") centraal stonden. Ze trokken zich terug uit de samenleving om een kleine apostolische gemeenschap te vormen, naar het model van de eerste christenen. Deze gemeenschappen leefden in de overtuiging dat zij de enige ware Kerk van Christus vormden, die brak met het corrupte monastieke leven en met de incompetente, machtsgeile en corrupte geestelijkheid.

De meeste semi-religieuze bewegingen kenmerkten zich door het verlaten van de familie, door het afstand doen van privé-bezit, door een vlucht uit het gewoel van de wereld (de zgn. "fuga mundi"), zoals de kluizenaars uit de eerste christenheid. Maar ze keerden de maatschappij niet volledig de rug toe. Ze wilden als "broeders en zusters" (de lijdende) Christus navolgen in dienstbaarheid en streefden een evangelisch geďnspireerd evenwicht na tussen


een pestlijder (L. le Chartreux)

De kreupelen (P. Bruegel)

  • een vrome levenswandel ("vita apostolica"), om te zorgen voor het eigen zieleheil, en
  • een totale naastenliefde ("caritas") door concete werken van barmhartigheid, speciaal voor arme pelgrims, zieken, verstotenen, zorgbehoevenden, enz.

Van een echt kloosterleven was er geen sprake. Het ging om semi-religieuze gemeenschappen van leken ("broeders" en ("zusters"), die zich niet verscholen achter dikke kloostermuren, die geen uiterlijke symbolen van het monnikenbestaan droegen, zoals een uniform kloosterhabijt. Ze onderhielden meestal geen kloosterregel, maar leefden slechts enkele praktische - mondeling overgeleverde - afspraken en gewoonten na. De aloude evangelische idealen van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid droegen ze hoog in het vaandel, maar ze legden geen formele kloostergeloften af.

Vrome vrouw. Duitse miniatuur uit de 12de eeuw
Vrome vrouw. Duitse miniatuur uit de 12de eeuw.

Merkwaardig is wel dat de overgrote meerderheid van de middeleeuwse gasthuizen (ook dat van ten Bunderen in Moorslede!), die zich ontfermden over de "passanten", tot stand kwam buiten de Kerk en de clerus om. Het waren wereldlijke overheden (feodale vorsten, hertogen, plaatselijke heren), of ook rijke particulieren (patriciërs, ambachtslui) enz. die de nodige financiële middelen, grond of woonst ter beschikking stelden voor de opvang van bedevaarders en zieken. Zij spoorden "mensen van goeden wille", godvruchtige vrouwen of welgestelde leken, aan om dat vrijwilligerswerk in de gasthuizen op zich te nemen.

middeleeuwse gasthuizen in West-Vlaanderen
middeleeuwse gasthuizen (gemerkt met geel driehoekje) in West-Vlaanderen.

Samengevat: geen enkele van de 30 gasthuizen met hospitaalbroeders en -zusters in Vlaanderen ontstond binnen een bestaand klooster. Men kan dus niet spreken van kloosters waarvan de zusters naderhand hospitaalwerk verrichten, maar wél omgekeerd van lekenbroeders en -zusters in een gasthuis die pas later kloosterlingen werden en zich onderwierpen aan een monastieke regel, meestal die van de H. Augustinus, of soms aan de Derde Regel van de H. Franciscus.

voorbeelden van het geestelijk réveil

    Het begijnhof van Brugge
    Het begijnhof Ten Wijngaerde van Brugge
    Het begijnhof van Kortrijk
    Het begijnhof St.-Elisabeth in Kortrijk
    Het begijnhof van Diksmuide
    Het begijnhof van Diksmuide
    Het verdwenen begijnhof van Ieper
    Het tijdens WO I verdwenen begijnhof van Ieper

  • de begijnen, vanaf het einde van de 12de eeuw in NW-Europa. Het ging om vrome vrouwen van alle leeftijden die afgezonderd leefden van de wereld leefden in soberheid en zelfgekozen kuisheid, die elk woonden en werkten in een apart huisje, binnen een besloten begijnhof, rondom een kapel. Voor hun levensonderhoud verrichtten ze handenarbeid en caritatieve taken binnen de parochie (opname van passanten, ziekenzorg). In het huidige West-Vlaanderen waren er begijnhoven in Brugge (Ten Wijngaerde, 1242), Kortrijk (1238), Ieper (1240) en Diksmuide (13de eeuw). Hun mannelijke tegenhangers (de begarden) waren minder verspreid.

    14de-eeuws getijdenboek in de volkstaal voor leken, samengesteld door Geert Grote. 's-Heerenberg (NL), Huis Bergh.
    14de-eeuws getijdenboek van Geert Grote, in de volkstaal voor leken. 's-Heerenberg, Huis Bergh.

  • de Moderne Devotie, gesticht door Geert Grote (einde 14de eeuw). Deze mystieke binnenkerkelijke hervormingsbeweging bestond uit woongemeenschappen van Zusters en van Broeders "des Gemeenen Leven" (leken en geestelijken die geen geloften aflegden, geen habijt droegen en geen kloosterregel volgden). Ze predikten een mystieke heropleving, bestreden de misstanden bij de clerus en hielden zich bezig met een verbetering van de leefomstandigheden van de bevolking.

    interieur van de romaanse H.-Magdalenabasiliek in Vézelay
    interieur van de romaanse H.-Magdalenabasiliek in Vézelay
    een halte op de bedevaartsweg naar Compostela

  • Naast de Benedictijnen - waarvan de moederabdij in Cluny het middelpunt vormde van een machtige hervormingsbeweging in West-Europa - ontstonden nieuwe kloosterorden zoals
    • de Cisterciënzers, die leefden van hun eigen werk op het land en huisden in sobere gebouwen, bijv. de abdij van Ter Duinen in Koksijde (1098);
    • de Kartuizers, die in een kluis een teruggetrokken gebedsleven leidden als kluizenaars, met een strenge zwijgplicht en gemeenschappelijke eredienst (1084);
    • de Premonstratenzers (= Norbertijnen), die vanuit hun abdijen zielzorg verrichtten onder de plattelandsbevolking (1121)

    De H. Franciscus (l.) en de H. Dominicus (r.), stichters van een bedelorde. Middeleeuws fresco.
    De H. Franciscus (l.) en de H. Dominicus (r.), stichters van een bedelorde. Middeleeuws fresco.

  • de bedelorden, waarvan de Franciscanen of minderbroeders (1209), de Dominicanen of predikheren (1214), de Augustijner-eremieten (1216) en de Karmelieten (1230) de belangrijkste waren. Ze vormden door Rome erkende religieuze gemeenschappen die de kloosterregel volgden van hun stichter.

  • de Derde Orde van St.-Franciscus (vanaf 1289), waartoe allerlei congregaties van lekenbroeders en/of -zusters behoorden, die in de wereld of in een convent leefden volgens de Franciscaanse spiritualiteit, bijv. de Cellebroeders (later Alexianen, erkend door Rome in de 16de eeuw); de Cellezusters (de latere Zwartzusters en Grauwzusters) e.a.

    Twee Hospitaalridders van St.-Jan.
    Twee ridders van het St.-Janshospitaal van Jeruzalem.

  • de geestelijke ridderorden die opkwamen in de periode van de Kruistochten (1096-1270), waaronder de Hospitaalridders van St.-Jan, de Tempeliers en de Teutoonse ridders). De leden vormden religieuze gemeenschappen die het ridder-ideaal en de kloosterroeping in zich verenigden: hun taak bestond in de verzorging van zieken, pelgrims en armen.

de vrouwen namen het voortouw

"de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen...

In die hele lekenbeweging speelden de vrouwen een prominente rol. Merkwaardig was dat in een niet bepaald vrouw-vriendelijke samenleving, waarin allerlei vooroordelen en discriminaties wijd verspreid waren en de vrouw helemaal ondergschikt was aan de man. Die nieuwe semi-religieuze gemeenschappen namen, behalve adellijke juffrouwen, ook burgervrouwen, boerenmeisjes en weduwen op. De Derde Orde-bewegingen, de gasthuizen voor pelgrims en de begijnhoven waren druk bevolkt door vrouwen. Deze fiere vrijgevochten vrouwen legden geen geloften af, leefden niet in afzondering, maar waren actief in de omgeving van hun woning en verzorgden arme, oude en zieke mensen.

...de gevangenen bezoeken, de zieken verzorgen, de doden begraven"
(De 7 werken van barmhartigheid. Miniatuurreeks van Jean Dreux, 1468-1477)

Toch bleef de vrouw een ondergeschikte rol spelen in de officiële kerkelijke hierarchie. Ze kon bijv. wel "meesteresse" zijn van een gasthuis-communauteit en dus volle verantwoordelijkheid dragen voor het dagelijks reilen en zeilen, de zorg voor de pelgrims, de administratie, het beheer van de materiële goederen enz. Maar de geestelijke leiding bleef het monopolie van mannen. De herderlijke taken - sacramenten toedienen, biecht horen, enz. - waren voorbehouden aan een kapelaan of parochiepriester.

Ook in het gevestigde kloosterleven traden vrouwen vanaf de 12de eeuw meer op de voorgrond. Tal van vrouwenkloosters werden gesticht, die zich gedeeltelijk spiegelden aan bestaande mannelijke orden, in het bijzonder die van de Benedictijnen, Augustijnen en Cisterziënsers. De bedelorden, zoals de Franciscanen en Dominicanen, kenden een grote toeloop van vrouwen. In onze streken waren er vrouwenabdijen in o.m. Zonnebeke (Nonnenbosschen, 1198), Moorsele (Guldenberg-abdij, 1214, die later naar Waregem verhuisde), Slype (abdij van Nieuw jeruzalem, 1235), Marke (abdij O.L.-Vrouw ten Spieghele, 1238) en Esen (abdij Hemelsdaele, 1237). In de late Middeleeuwen waren de vrouwelijke religieuzen groter in aantal dan de mannelijke!

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail