De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Geschiedenis - de 13de eeuw

Reconstructie-maquette van het middeleeuws stadshospitaal bij de kathedraal Notre-Dame in Parijs
Reconstructie-maquette van het middeleeuws stadshospitaal bij de kathedraal Notre-Dame in Parijs.

bloei van de stedelijke hospitalen

In de loop van de 13de eeuw namen de bestaande stedelijke hospitalen in omvang toe en werden honderden nieuwe liefdadigheidsinstellingen (gasthuizen en hospitalen) in het leven geroepen in tal van steden zoals Brugge, Ieper, Kortrijk, Gent, Brussel, Rijsel, Cambrai, Arras, enz. Er was immers een nijpend tekort aan opvangmogelijkheden voor de aanzwellende groep van zieken en zorgbehoevenden. Vanwaar kwam die forse toename van het aantal zieken en stadshospitalen?

  • De bevolkingsaangroei veroorzaakte een trek van het platteland naar de steden.
  • Steeds meer lijfeigenen verwierven hun vrijheid en beproefden hun geluk in de stad.
  • De opkomst van de rijke burgerij en de ambachtsgilden zorgde voor een bloeiende handel en nijverheid en voor welstand in de steden. Maar tegelijk met die welvaart waren de steden broeihaarden van ellende, armoede, bedelarij, landloperij, ziekte, hongersnood en kleine criminaliteit.

Het Sint-Janshospitaal in Brugge
Het Sint-Janshospitaal in Brugge

Steeds meer bestaande gasthuizen, m.n. in de steden, beperkten zich niet langer tot het onderdak verlenen aan pelgrims en reizigers, maar openden voortaan ook hun deuren voor zieken. Sommige gingen geruisloos over van pelgrimsgasthuis naar ziekenhospitaal. De grote stadshospitalen (hôtels-Dieu) boden zelfs geen opvang meer aan voor passanten maar waren enkel nog toegankelijk voor zieken.

Vanaf de 13de eeuw tekenden zich bij ons de eerste vormen van specialisering af. Meer en meer gasthuizen gingen zich richten op specifieke doelgroepen, zoals pelgrims, bejaarden, blinden, leprozen (= melaatsen), berouwvolle meisjes van lichte zeden ("filles-dieu"), weduwen, wezen, gehandicapten en... rijken die, buiten hun schuld om, plots alles kwijt raakten en tot de bedelstaf waren veroordeeld.

het gemengd beheer van de gasthuizen

Een stedelijke schepenbank. Middeleeuwse houtsnede.
Een stedelijke schepenbank. Middeleeuwse houtsnede.

Vanaf het einde van de 12de eeuw was niet enkel de Kerk begaan met reizigers, pelgrims, armen en zieken. Omdat de kerkelijke instanties - door geldtekort, onvoldoende capaciteit, gebrek aan deskundigheid, gemis aan belangstelling of een combinatie hiervan - hier en daar in gebreke bleven, werd het dagelijks bestuur van de bestaande hospitalen steeds meer overgenomen door de magistraten. Steeds meer nieuwe caritatieve instellingen kwamen tot stand op initiatief van de burgerlijke overheid, die tegelijk (gedeeld of helemaal) het financieel-administratief beheer ervan op zich nam en een administrator (= voogd) aanstelde. Het verzorgend personeel bestond veelal uit een gemeenschap van mannelijke (broeders) en/of vrouwelijke religieuzen (zusters).

De bisschop, verantwoordelijk voor geestelijke zaken in de gasthuizen.
De bisschop, verantwoordelijk voor geestelijke zaken in de gasthuizen.

In de praktijk deelden de kerkelijke hiërarchie en de wereldlijke machthebbers de taken: de Kerk (de bisschop, de deken of de plaatselijke pastoor) behartigde de geestelijke aangelegenheden, bijv. het opleggen van een kloosterregel, de benoeming van een prior(es), terwijl de burgerlijke overheid (de heer, de stadsmagistraat) zich ontfermde over de tijdelijke zaken. De kerkelijke overheid vaardigde enkel religieuze maatregelen uit voor kerkelijke gasthuizen ("loci religiosi") maar mengde zich niet in de administratie van "openbare" ("loci publici") of privé-gasthuizen ("loci privati"), die door de overheid of door particulieren waren gesticht. Omgekeerd vroegen de autoriteiten meestal de toestemming aan de bisschop om in een stadshospitaal bijv. een aalmoezenier aan te stellen of een kapel in te richten voor het opdragen van de zondagsmis.

het personeel onder kerkelijk toezicht

Een regionaal concilie in de Middeleeuwen
Een regionaal concilie in de Middeleeuwen.

Vanaf het begin van de 13de eeuw probeerde de kerkelijke overheid meer greep te krijgen op de wildgroei van semi-religieuze gemeenschappen in gasthuizen en caritatieve instellingen, en andere niet-erkende varianten van het monastieke leven. Op de synodes (= regionale concilies) van Parijs (1212) en Rouen (1214) en vooral op het 4de concilie van Lateranen (1215) eisten de kerkleiders dat alle zelfstandige gemeenschappen van leken zich integreerden in de officiële kerkelijke structuren en volwaardige religieuze communauteiten werden. Ze dienden voortaan een habijt te dragen en de evangelische geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid af te leggen. De kerkelijke statuten van de gasthuizen in onze streken - inclusief die van Ten Bunderen in Moorslede (1473) - vertoonden nagenoeg allemaal een opvallende gelijkenis met de statuten (ca.1150) van de hospitaalridders van het St.-Janshospitaal in Jeruzalem.

Middeleeuwse ridders. De tweede van links is een hospitaalridder van St.-Jan.
Middeleeuwse ridders, waaronder een hospitaalridder van St.-Jan (2de van links).

De semi-religieuze gasthuisgemeenschappen, waarvan de meeste tot het begin van de 13de eeuw leefden volgens een pakket mondeling overgeleverde en vrome gebruiken van de stichter(s) en/of daaropvolgende meesters/meesteressen, werden voortaan verplicht om zich onderwerpen aan de jurisdictie van de plaatselijke bisschop en aan schriftelijke statuten die hij oplegde, zoniet riskeerden ze een veroordeling wegens ketterij, waardoor hun voortbestaan in gevaar kan komen komen. Door die strengere reglementering maakte de kerkelijke hierarchie een einde aan het gebrek aan een degelijke organisatie en aan allerlei chaotische toestanden (bijv. méér zusters dan zieken of gasten; het samenleven van ongehuwde en ongehuwden !) in de zorgsector.

Onder druk van het kerkelijk apparaat schikten de communauteiten in de gasthuizen zich dus naar de besluiten van de concilies en vormden zich om tot canoniek erkende kloostergemeenschappen (behalve de kleine, zoals die van Ten Bunderen, die tijdelijk ontsnapten aan de bisschoppelijke controle). Geleidelijk namen de hospitaliere gemeenschappen de kloosterregel aan van St.-Augustinus.

De onderwerping aan het gezag van de plaatselijke bisschop leverde de gasthuizen enkele financiële, sociale en godsdienstige voordelen op, die enkel aan kerken en kloosterorden werden toegekend:

  • de uitgesproken steun en bescherming van de bisschop.
  • de mogelijkheid om afgestorven leden op het eigen grondgebied te begraven.
  • de vrijstelling door de wereldlijke overheid van tiendenheffing, tolgeld betalen, e.d.
  • kerkelijk asielrecht, waardoor wereldlijke instanties op de gronden van de gashuizen geen arrestatiebevoegdheid habben
  • kerkjuridische rechtspersoonlijkheid om zélf authentieke akten te redigeren, rechtszaken aan te spannen en een eigen patrimonium uit te bouwen.

engel, email uit Limoges

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail