De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Geschiedenis - het Westen (vanaf 5de eeuw)

Kaart met de volksverhuizingen, die Europa teisterden.
De volksverhuizingen in Europa (situatie rond 480).

Alamannen tot 536 Ostrogoten
Angelsaksen Visigoten tot 711
Bourgondiërs tot 534 Perzen
Byzantijnen Sueven tot 586
Franken Vandalen tot 533
Rijk van Odoaker 476-493

Het is opvallend dat reeds vanaf 325, het jaar waarin keizer Constantijn godsdienstvrijheid afkondigde, in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk een fijnmazig netwerk van christelijke gasthuizen ontstond. Het westelijk deel van het Rijk liep ver achterop omdat het een troebele periode beleefde vanaf de 4de tot de 6de eeuw. Onze gewesten werden in die periode geteisterd door de invallen van de zogeheten Barbaren (Franken, Germanen, Goten, Sueven, Wisigoten, Vandalen, Hunnen...). Dat ging gepaard met veel oorlogsgeweld, hongersnood, besmettelijke ziekten en een zwakke economische toestand. Bovendien werd het christendom belaagd door een aantal ketterse stromingen (Arianen, Nestorianen, enz.). Pas vanaf de 7de eeuw zal het gasthuis- en hospitaalwezen zich volop verspreiden in West-Europa.

in Rome

De H. Hieronymus. Mozaïek, 14de eeuw. Venetië, San Marco basiliek, baptisterum.
De H. Hieronymus. Mozaïek, 14de eeuw. Venetië, San Marco basiliek, baptisterum.

Ondanks al die rampspoed wist het pausdom zich behoorlijk te handhaven en in Rome ontwikkelde zich de eerste zorg voor reizigers, armen en zieken. Sinds het antieke Romeinse Rijk bestonden er "hospitalia" (afgeleid van "hospitalitas", gastvrijheid), dat waren kamers bij particulieren voor de opvang van vermogende gasten. Daarop borduurde het liefdadigheidswerk van de eerste christenen verder tijdens de periode van de vervolgingen. In Rome was er een sterke organisatie, waarbij zieken en armen aan huis werden verzorgd door diakens. Deze laatsten legden, in opdracht van de bisschop, een lijst ("matricula") aan van hulpbehoevenden in hun wijk. Op geregelde tijden werden op een bepaalde plaats, bijv. in een kerkgebouw, aalmoezen en eetwaren verdeeld aan de geregistreerde armen.

De H. Fabiola. Schilderij van Jean-Jacques Henner (1829–1905)
De H. Fabiola. Schilderij van Jean-Jacques Henner (1829–1905).

Het oudst bekende gasthuis in het Westen ontstond in Rome. De kerkvader St.-Hieronymus (347 - 420) had het in een brief over de rijke patriciërsvrouw Fabiola die, na het overlijden van haar 2de man, op het einde van de 4de eeuw in Rome, een hospitaal (= "nosocomium") opstartte waar zieken, armen, gebrekkigen en noodlijdenden werden heengebracht voor gratis verzorging.

Grondplan van de basilica (rechts) en xenodochium (links) in Porto. A. L. Frothingham, The Monuments of Christian Rome, p. 49.
Grondplan van de basilica (rechts) en xenodochium (links) in Porto.
(A. L. Frothingham, "The Monuments of Christian Rome", p. 49).

In een andere brief maakte de kerkvader St.-Hieronymus (347 - 420) melding van een "xenodochium", in 398 gesticht door zijn jeugdvriend, de H. Pammachius, ten bate van de arme pelgrims en vreemdelingen. Deze voormalig Romeins proconsul en senator werd monnik na de dood van zijn vrouw en richtte het gasthuis op naast de basiliek van Portus (nu Porto), een toen belangrijke havenstad ten zuiden van Rome, aan de monding van de Tiber. Bij opgravingen in 1866 werden de grondvesten blootgelegd van de basiliek, die uitgaf op een binnenkoer met daarrond kamers en ruimten voor de arme reizigers.

Paus Symmachius. Mozaïek in de Basiliek van St.-Agnes buiten de Muren.
Paus Symmachius. Mozaïek in de Basiliek van St.-Agnes buiten de Muren.

Ook de opeenvolgende pausen lieten zich niet onbetuigd. Symmachus (wiens pontificaat duurde van 498 tot 514) liet in de omgeving van een drietal basilieken, o.m. die van St.-Pieter, herbergen en gasthuizen ("xenodochia") bouwen, waar arme pelgrims een gratis onderkomen vonden. Hij richtte daarnaast kleine woningen in voor de behoeftigen van de stad. Onder paus Vigilius (537-555) stichtte de befaamde generaal Belisarius een xenodochium. Pelagius II (578-590) vormde een deel van zijn verblijfplaats om tot een "ptochium" (= bejaardentehuis).

elders in West-Europa

Kaart van het Merovingische Rijk (oranje gekleurd) in de 8ste eeuw.
Kaart van het Merovingische Rijk (oranje gekleurd) in de 8ste eeuw.

DE MEROVINGEN (447-751)

Buiten Rome, in de rest van westelijk Europa, waren er geen gasthuizen en hospitalen. Die kwamen pas stilaan tot ontwikkeling onder de Merovingen, een dynastie van het Frankische Koninkrijk, die regeerde vanaf de 5de tot de 8ste eeuw. In 476 werd de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus officiëel afgezet door Odoaker. Dit betekende het einde van het West-Romeinse Rijk en het begin van de Middeleeuwen. In 486 versloeg de beroemde koning Cholovech (Clovis) de Romeinse generaal Syagrius (eigenlijk een plaatselijke krijgsheer) zodat de rest van Gallië onder zijn alleenheerschappij viel. In datzelfde jaar verplaatste de beroemde koning Chlodovech (Clovis) de hoofdstad van het Merovingische Rijk van Doornik naar Parijs.

De doop van koning Chlovis in Reims. Halfverheven beeldhouwwerk, 9de eeuw.
De doop van koning Chlovis in Reims in 496. (Halfverheven beeldhouwwerk, 9de eeuw).

In 496 liet Clovis zich dopen in Reims door de heilige bisschop Remigius. Het christendom werd staatsgodsdienst. De complete ineenstorting van het Romeinse Rijk en de bekering van Clovis schiepen een gunstig klimaat voor kerkelijk liefdadigheidwerk. Vanaf het einde van de 5de eeuw ontstonden hier en daar tehuizen voor hulpbehoevenden, maar de eerste echte gasthuizen ("xenodochia") waarvan schriftelijke bronnen bestaan, dateren pas van halfweg de 7de eeuw. Het initiatief werd genomen door de bisschoppen, de kloosters en edellieden.

I. initiatieven van bisschoppen

  • de 5de eeuw.

    St.-Remigius (links) met Clovis I. Miniatuur Legenda Aurea, Jacobus de Voragine, 14de eeuw.
    St.-Remigius (links) met Clovis I. Miniatuur "Legenda Aurea", Jacobus de Voragine, 14de eeuw.

    Blijkens het testament van de H. Remigius van Reims (begin 6de eeuw) wierpen reeds in de 5de eeuw hier en daar individuele bisschoppen in Gallië zich op als beschermheren van de zwakken en behoeftigen. Zij stelden een asiel beschikbaar voor armen, bejaarden, vondelingen, bedelaars en uitzonderlijk ook zieken (leprozen). In sommige gevallen nodigde de bisschop hen uit aan tafel. Maar deze vorm van gastvrijheid was weinig rationeel en werd overgelaten aan het vrij initiatief van de bisschop.

  • de 6de eeuw.

    Resten van een xenodochium (6de eeuw). Mérida (Spanje)
    Overblijfselen van een xenodochium bij de verdwenen H. Eulaliabasiliek in Mérida (Spanje), omstreeks 560.

    Op het nationaal Frankische Concilie van Orléans (511) werden alle bisschoppen verplicht om voortaan het goede voorbeeld te geven inzake christelijke gastvrijheid. Ze moesten een kwart van de kerkelijke inkomsten besteden aan de oprichting van een "xenodochium" (een term die werd overgenomen van het oost-Romeinse Rijk), om armen gratis onderdak en mondvoorraad te geven. Daaropvolgende concilies van Orléans (549), Tours (567), Lyon (583) en Mâcon (585) schreven voor dat de bisschoppen zich speciaal moesten bekommeren om het lot van melaatsen, wat leidde tot de oprichting van leprozerieën in de bisschopssteden of aan de rand ervan.

    Weldra stelden meer en meer bisschoppen een deel van hun ambtswoning ter beschikking van armen en pelgrims. Of ze lieten vlakbij hun verblijfplaats, meestal naast de kathedraal, een "xenodochium" oprichten, waarvan ze het dagelijkse beheer toevertrouwden aan het kapittel van kanunniken. Zo ontstond een heel netwerk van gasthuizen in de stadscentra (het platteland was nog grotendeels ongekerstend). Maar bij gebrek aan schiftelijk bronnenmateriaal blijven we in het ongewisse over het aantal en over de stichtingsdatum.

    St.-Caesarius van Tours. Miniatuur, 990. Bamberg, Staatsbiblothek.
    St.-Caesarius van Tours overhandigt Regel aan monialen. Miniatuur, 990. Bamberg, Staatsbibl.

    Het oudst bekende gasthuis in Gallië wat dat van Arles, gesticht in het begin van de 6de eeuw door de heilige aartsbisschop Caesarius. Hij stelde een deel van zijn eigen woning, die hij "domus pauperum" (= huis der armen) noemde, open voor armen en zieken. In Reims liet de bisschop, de H. Remigius, in het begin van de 6de eeuw een xenodochium optrekken buiten de stadsmuren. In en rond Le Mans ontstonden in de loop van de 6de eeuw minstens 7 gasthuizen voor de armen. Ook in Auxerre, Tours, Parijs, Poitiers, enz. richtte de plaatselijke bisschop naast de kathedraal of collegiale kerk een xenodochium op voor armen en zieken ("egrotorum et debilium").

    De H. Domitianus op bronzen fontein op markt van Hoei (15de eeuw).
    De H. Domitianus. Detail bronzen fontein, markt van Hoei (15de eeuw).

    Dichter bij ons zou de H. Domitianus, bisschop van Tongeren en Maastricht (van ca. 534 tot 560), verscheidene hospitalen hebben opgericht. Maar het is moeilijk om de legenden en de historische feiten rond deze heilige uit elkaar te houden.

  • de 7de eeuw.

    De H. bisschop Priest. Rechts op dit romaans kapiteel in Volvic (Auvergne), 1169.
    De H. bisschop Priest. Rechts op dit romaans kapiteel in Volvic (Auvergne), 1169.

    Pas in de loop van de 7de eeuw ontstonden in het Merovingische Rijk op verscheidene plaatsen de eerste hospitalen voor zieken. Deze hospitalen waren verbonden met de reguliere of seculiere geestelijkheid. Het waren nog geen ziekenhuizen in de huidige betekenis van het woord. In Clermont bijv. richtte de heilige bisschop Priest (625-676) een "nosocomium" op naar oosters model, bestemd voor een 20-tal zieken, waarvan de zorg werd toevertrouwd aan geneesheren of sterke mannen ("medicos vel strenuos viros").

    Het klooster bij de romaanse Collegiale St.-Gertrudis in Nijvel.
    Het klooster bij de romaanse Collegiale St.-Gertrudis in Nijvel.

    Ook in onze streken daagden in de 7de eeuw meer en meer tehuizen op voor de verzorging van armen en zieken. Maar het schriftelijke bronnenmateriaal hierover is schaars. Zo werd hoogstwaarschijnlijk halfweg de 7de eeuw bij het klooster van de H. Gertrudis in Nijvel een hospitaal opgericht. In 697 stichtte de heilige Frankische edelvrouw Irmina van Oeren een hospitaal om onderdak te bieden aan hulpbehoevenden in Echternach. Tegelijk hielp ze de H. Willebrordus voor de bouw van een abdij aldaar.

  • de 8ste eeuw.

    Tot nu toe was er vrijwel enkel sprake van xenodochia, bestemd voor armen en zieken. Vanaf het midden van de 8ste eeuw echter ontstonden in de steden, bij kloosters en langs de reiswegen, gasthuizen (in de letterlijke betekenis van het woord: "huizen voor gasten") die gratis overnachting, eten en verwarming aanboden aan pelgrims en passerende reizigers.

    Karel Martel verdeelt zijn Frankisch Rijk tussen zijn zonen Pepijn en Carloman (rechts). Miniatuur (Grandes Chroniques de France), 13de eeuw. Parijs, BN.
    Karel Martel verdeelt zijn rijk tussen zijn zonen Pepijn en Carloman (rechts).
    Miniatuur (Grandes Chroniques de France), 13de eeuw. Parijs, BN.

    In 743, op de Synode van Leptines (nabij Binche), gaf de Merovingische hofmeier Carloman bevel dat bij elk klooster een herberg of rustplaats voor vreemdelingen moest worden ingericht. Zijn vader, koning Karel Martel, had vele kerken, kloosters, armenhuizen en gasthuizen afgenomen van de geestelijkheid en aan krijsgheren gegeven, als beloning voor bewezen militaire diensten. Op de synode werd daarom afgesproken dat o.m. de gasthuizen kerkelijke eigendommen waren, waarvan een buitenstaander enkel het vruchtgebruik had en in ruil hiervoor een jaarlijkse intrest moest betalen aan de clerus. Dat was het prille begin van het leenstelsel.

    De Ierse abt St.-Columbanus (540-615), wiens monniken het West-Europese vasteland kerstenden. Fresco, 15de eeuw in de kathedraal van Brugnato (It.).
    De Ierse abt St.-Columbanus (540-615), wiens monniken het Europese vasteland kerstenden.
    Fresco, 15de eeuw, in de kathedraal van Brugnato (It.).

    De Ierse en Schotse monniken, de zogeheten "Scotti", die in groten getale missionerend rondtrokken op het westeuropese vasteland (inclusief in Vlaanderen), maakten zich verdienstelijk door de bouw van zogeheten "hospitalia", die als tijdelijk toevluchtsoord dienden voor de bedevaarders en andere soorten van reizigers. Veelal waren deze refuges verbonden met een abdij, of stonden in de buurt ervan. Ze situeerden zich vlak buiten de stadspoorten, langs de grote pelgrims- en handelswegen of in weinig bewoonde streken.

    Ruïnes van een Romeinse mansio in het Engelse Wall (Staffordshire).
    Resten van een Romeinse mansio in het Engelse Wall (Staffordshire).

    Omdat reizigers nog volop gebruik maakten van het netwerk van Romeinse heerwegen, werden hier en daar ook hospitalia opgericht in bestaande zogeheten "mansiones" (= meervoudsvorm van het Latijnse "mansio", oponthoud, rustplaats, halte). In het Romeinse Rijk waren deze mansiones stopplaatsen, waar passerende soldaten, staatskoeriers en officiële of hooggeplaatste reizigers o.m. eten, drinken, verfrissing, rust, overnachting en mondvoorraad aangeboden kregen. Ze lagen op ca. 25 à 30 km (de gemiddelde afstand van een dagreis te voet) van elkaar.

    Plattegrond van een mansio in Százhalombatta-Dunafüred (Hongarije).
    Plattegrond van een mansio in Százhalombatta-Dunafüred (Hongarije).

    Mansiones hadden de structuur van een Romeinse villa, met een eet- en drinkruimte (herberg), baden, gastenkamers, een slaapplaats, een paardenstal, een bergruimte voor rijtuigen, voorraadmagazijnen e.d. Eigenlijk waren dit verre voorlopers van de hedendaagse motels langs de autowegen! Daarnaast bestonden er vanaf de 3de eeuw na Chr. ook "mutationes", afspanningen waar men paard(en) en/of rijtuigen kon wisselen en een beroep on doen op de goede diensten van wagenmakers, smeden en een dierenarts.

    3D schaalmodel van een mansio in San Lorenzo di Sebato (Zuid-Tyrol)
    3D-schaalmodel van een mansio in San Lorenzo di Sebato (Zuid-Tyrol).

    In de loop van de 8ste eeuw viel de bouw van nieuwe xenodochia stil in héél Gallië. De bestaande gasthuizen vielen in puin. De Kerk maakte een diepe crisis door. Het was een periode van zware economische achteruitgang, grote troebelen, politieke twisten en complete uitholling van het gezag van de Merovingische koningen. In 751 werd de laatste Merovinger Childerik III afgezet door Pepijn de Korte en brak het Karolingische tijdperk aan. Pas onder keizer Karel de Grote, die regeerde van 768 tot 814, keerde het tij.

II. initiatieven van de kloosters

De H. Benedictus. Fra Angelico. Fresco, 1437. Firenze, Museo di San Marco
De H. Benedictus. (Fra Angelico. Fresco, 1437. Firenze, Museo di San Marco).

In de vroege Middeleeuwen hebben de kloosters in niet geringe mate bijgedragen tot het beoefenen van de gastvrijheid, waarvan de gasthuizen een van de opvallendste uitingen was. De Benedictijnerorde speelde hierbij een eersterangsrol. In hoofdstuk 31 schrijft de regel van Benedictus (geschreven rond 540) voor dat zieken, kinderen, gasten en armen met zorg worden ontvangen. In hoofdstuk 53 lezen we: "Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als waren ze Christus zélf, want Hij zal eens zeggen: 'Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen'.

pelgrims bij de kloosterpoort. Burgos, Klooster San Juan de Ortega, detail van een graftombe
Pelgrims bij de kloosterpoort. Burgos, Klooster San Juan de Ortega, detail van een graftombe

In alle abdijen van de Benedictijnen, vooral langs de grote bedevaarts- en handelswegen, was er vanaf de 7de eeuw dan ook een apart verblijf voor vreemdelingen (in het Latijn "hospitium", waarvan het latere woord hospitaal is afgeleid), soms bij de ingang van het kloostergebouw, waar pelgrims, reizigers, armen en zieken tijdelijk onderdak en voedsel kregen. Van een echte ziekenzorg zoals wij die nu kennen was er nog geen sprake. De beperking van de doelgroep tot vermoeide of uitgeputte reizigers en rondtrekkende behoeftigen hield veeleer een vorm van armenzorg in.

gastenverblijf. Paimpol (Bretagne), Abbaye de Beauport.
Gastenverblijf in een abdij. Paimpol (Bretagne), Abbaye de Beauport.

Aanvankelijk beperkte de gastvrijheid zich tot het klooster zélf. Zo stelde de H. Ursmarus (+713) een deel van de door hem gestichte abdij in Lobbes ter beschikking van pelgrims en reizigers. In sommige grote kloosters was er zelfs een dubbele gastenruimte: een voor de armen, en een die voorbehouden was voor rijken, edellieden en geestelijken. In een latere fase zullen de Benedictijnen, om diverse redenen, ook een apart gelegen (niet-monastiek) gasthuis stichten, "hospitale pauperum" genoemd.

III. initiatieven van leken

Het stichten van gasthuizen was geen exclusief voorrecht van bisschoppen of kloosters. Ook adellijke, vermogende en vrome leken konden én deden dat. Hier volgen enkele voorbeelden.

Koning Childebert I, stichter van het oudst-bekende leken-initiatief. Kalkstenen beeld, 1239. Parijs, Louvre.
Koning Childebert I, stichter van het oudst-bekend lekeninitiatief.
Kalkstenen beeld, 1239. Parijs, Louvre.

  • De oudst bekende leken-stichting is die van de Merovingische koning Childebert I (496 - 558), de zoon van Clovis. Het ging om een xenodochium in Lyon dat hij, samen met zijn vrouw Vulthrogotha, in 542 oprichtte voor "de zorg van de zieken en het onthaal van de pelgrims" ("cura aegrogantium et acceptio peregrinorum"). De stichting werd bekrachtigd op het vijfde Concilie van Orléans (549).

    Huwelijk van koningin Brunhilde (rechts) en Sigebert I. Miniatuur, 15de eeuw. Parijs, BN.
    Huwelijk van koningin Brunhilde (rechts) en Sigebert I. Miniatuur, 15de eeuw. Parijs, BN.

  • Op het einde van de 6de eeuw richtte koningin Brunhilde, de vrouw van koning Sigebert I, een xenodochium op in Autun.

    Koningin Radegundis betreedt haar klooster in Poitiers. Min., 11de eeuw. Poitiers, Bibl. Municipale.
    Radegundis betreedt haar klooster in Poitiers. Min., 11de eeuw. (Poitiers, Bibl. Municipale).

  • De heilige Frankische koningin Radegunde (van 520 tot 587), wijdde zich in de koninklijke villa Athies (nabij Péronne) aan de verzorging van zieken, vooral van lepralijders. Later stichtte ze een monialenabdij in Poitiers en runde in Saix (in het Franse departement Vienne) een gasthuis.

    Koning Dagobert I bezoekt bouwwerf van de kathedraal van St.-Denis. Miniatiuur, 15de eeuw. Parijs, BN.
    Dagobert I bezoekt bouwwerf van de kathedraal van St.-Denis. Min., 15de eeuw. Parijs, BN.

  • Ook de Merovingische vorst Dagobert I (van 629 tot 638/639) stichtte in Saint-Denis nabij Parijs een xenodochium.

IV. juridisch statuut

Bronzen riemgesp met centraal kruismotief. 7de eeuw. Laye (Frankrijk)
Bronzen riemgesp met centraal kruismotief. 7de eeuw. Laye (Frankrijk).

  • De stichting.

    Een gasthuis werd in de vroege Middeleeuwen beschouwd als een kerkelijke instelling, dus een eerbiedwaardige plaats ("locus venerabilis"), met een specifieke opdracht: de "armen van de Heer" ("pauperes domini") voedsel en onderdak aanbieden. De stichter van zo'n gasthuis moest de nodige giften, eigendommen (bijv. een huis, gronden) en bronnen van inkomsten geven zodat de instelling in haar levensonderhoud kon voorzien. De geschonken goederen bleven onvervreemdbaar eigendom van de armen, en mochten dus in geen geval een andere bestemming krijgen. De wilsbeschikking van de stichter moest integraal en voor altijd worden nageleefd, op straffe van kerkelijke excommunicatie.

  • De administratie.

    Vanaf de 5de eeuw hadden de gasthuizen - zoals in het Oosten - rechtspersoonlijkheid en mochten dus eigen goederen bezitten en verwerven. Ze stonden onder de voogdij van de plaatselijke bisschop. Deze laatste benoemde voor elk gasthuis een beheerder ("administrator"), meestal een geestelijke, die instond voor de interne tucht en die op geregelde tijden de rekeningen moest voorleggen aan de bisschop. In geval van wanbeleid, een laakbare levenswandel of verwaarlozing van de zorg voor de armen werd de beheerder onverbiddelijk afgezet en zwaar gestraft!

  • De inkomsten.

    Paus Gelasius, naar wie het Decretum Gelasianum werd genoemd
    Paus Gelasius I (5de eeuw) , naar wie het "Decretum Gelasianum"
    (6de eeuw) werd genoemd.

    Het "Decretum Gelasianum" (6de eeuw) schreef de bisschoppen voor dat ze 1/4 van hun inkomsten moesten besteden aan liefdadigheid voor de armen en aan het verlenen van onderdak voor pelgrims en reizigers (zoals dat ook in de oosterse Kerk het geval was). Het aantal personeelsleden en gasten hing af van de financiële draagkracht van het gasthuis, van de omvang en de waarde van de eigendommen (lanbouwgronden, landerijen, weiden, gebouwen, enz), die door de stichter waren geschonken.

    Handschrift van de Lex Salica door Vandalgrius, 793. Sankt Gallen (Zwitserland), Stiftsbibliothek.
    Handschrift van de Lex Salica door Vandalgrius, 793. Sankt Gallen (Zwitserland), Stiftsbibliothek.

    De Salische Wet (= wetboek, samengesteld van 507 tot 511, in opdracht van de Merovingische koning Clovis) bevatte enkele beschermende maatrelen voor de gasthuizen:

    • bisschoppen, abten en edellieden waren verplicht om de kerken en alle hulpbehoevenden (weduwen, wezen, armen, pelgrims...) te beschermen.
    • de bisschop moest er streng op toezien dat de beheerder geen geld of onroerende goederen van zijn gasthuis voor eigen gebruik achterhield.
    • op diefstal en verkoop van eigendommen en goederen van armen stonden strenge straffen.
    • de gelovigen werden uitgenodigd om viermaal per jaar een vrijwillige aalmoes te geven.

    Merovingische sarcofaag in de pre-romaanse Veronakapel in Leefdaal
    Merovingische sarcofaag in de pre-romaanse St.-Veronakapel in Leefdaal (Bertem).

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail